terug naar index
FORDEYN, LYDWINE

(Gent, 27.10.1919 – Watford, Hertfordshire, UK, 1988/1989?)

Vlaamse dichteres en tolk. Auteur van slechts één enkele cyclus van acht gedichten, gepubliceerd in De Faun, 1945: het relaas van een tragische liefdesgeschiedenis.

Lydwine Marie Louisa Fordeyn was de dochter van Adolph Fordeyn, directeur van de Katholieke Jongensschool, Sint-Theresiastraat 1 te Gent. Het schooltje werd later op het nippertje van afbraak gered door de aankoop van kunstenaars Peter en Berlinde Buggenhout-De Bruyckere.
Op 13 oktober 1942 werd Lydwine als ongehuwde vrouw ingeschreven te Ukkel. Na de Tweede Wereldoorlog leerde ze de Engelsman Cedric Charles Booth kennen, een Flight Captain van de RAF. Ze trouwde met hem en verhuisde naar Engeland. Fordeyn werd tolk op internationale congressen. Het is onduidelijk wanneer ze precies overleed. 
In de eerste jaargang van De Faun (1945) publiceerde ze acht gedichten. Over ander dichtwerk of publicaties is verder niets bekend. Maar wat een rijk gevoelsleven toonde Fordeyn in De Faun: de gedichten gaan over een verloren liefde en tonen het verloop en vooral de verwerking hiervan. De titels gaven de lezers telkens een duidelijke hint zodat ze de volgende stap in dit liefdesrelaas onmiddellijk konden meevolgen: van Invitation au Voyage over Deemoedig liedHet wordt geen Lente…TerugkeerSeringen geuren in mijn donkre droomen, Verloren loopen tusschen menschenDe zwijnen van Circe, en ten slotte het Gebed van den Pharizeër. 
Fordeyn was op het moment van verschijnen midden twintig. De kracht van de dichtcyclus schuilt in het vertellende, bijna feuilletonachtige karakter. Waarbij de dichteres zonder schroom haar verloren liefde uit de doeken doet en zich een geestesgenoot van haar geliefde toont. Zonder die zielsverwantschap was de grote liefde die zij koesterde onmogelijk.  

Lydwine Fordeyn en Gent

Lydwine en haar broer Jean brachten een deel van hun jeugd door in de directeurswoning van de Katholieke Jongensschool in de Sint-Theresiastraat. Albert Brysse getuigt in zijn boek Een kind van de Muide over de school en de populaire onderpastoor (“rode paster”) Joris Vandenbroucke: die was bezieler van het jongenspatronaat en oprichter van ’t Spelleke van de Muide, een poppentheater met Pierke dat tussen 1922 en 1927 een vaste stek had in de school. Directeur Fordeyn komt enkele keren aan bod, als schooldirecteur, maar ook als koster en passioneel duivenmelker. Madame Fordeyn sprong af en toe in als surveillante.

Lydwine Fordeyn studeerde in 1937-1938 kunstgeschiedenis en oudheidkunde aan de Universiteit Gent, net als haar vermoedelijke geliefde en studiegenoot, de in Den Haag geboren, latere Belgische kunstschilder Jan Cox (1919-1980). Cox behaalde de graad van licentiaat in het academiejaar 1940-1941 met de thesis De kunstenaar en zyn werk (in 1992 uitgegeven als Interbellum-cahier 7). Van Fordeyn is in dit verslag geen sprake; vermoedelijk had ze haar studies toen al opgegeven. Cox had in die tijd al een klein atelier in Gent en schilderde er een opgemerkt decor voor de opvoering van Jakob van Artevelde van Cyriel Verschaeve bij een lustrumviering van een studentenkring.


Fordeyn was tijdens haar studie zeker goed bevriend met de schilder, want hij heeft van haar een portret getekend. Hun vriendschap bleef bestaan tijdens zijn verblijf met een beurs in de Academia Belgica te Rome in 1954 en zelfs na zijn vertrek in 1956 naar de Verenigde Staten, waar hij Head of the Painting Department werd aan de School of the Museum of Fine Arts te Boston. Hij keerde in 1976 naar Antwerpen terug, waar hij van Adriaan Raemdonck de mogelijkheid kreeg om te schilderen en tentoon te stellen in de galerie De Zwarte Panter. Op 8 oktober 1980 stapte hij uit het leven omwille van steeds terugkerende depressiviteit, iets waar Lydwine het emotioneel heel moeilijk mee had. Ze had in de late jaren 1930 nog gehoopt op een liefdesrelatie met hem, wat de inhoud en de evolutie van haar gedichten kan verklaren.

[Johan de Vos & Norbert Poulain]

Over Lydwine Fordeyn: