terug naar index
Hendrikx, August

(Gent, 01.04.1846 - Schaarbeek, 04.06.1918)

Beeldhouwer, auteur van liederen, novellen en vooral toneelwerk (blijspelen), ook toneelacteur en -regisseur. Broer van de in dit lexicon eveneens opgenomen Edmond. Beroepshalve was hij in de Gentse bevolkingsdienst geregistreerd als beeldhouwer; later was hij vertaler bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Brussel, stad waar hij ook enkele rollen speelde bij het Nationaal Toneel en regisseerde in de Vlaamsche Schouwburg.

Op 14-jarige leeftijd verliet hij de school om te leren boetseren in het werkhuis van beeldhouwer Antoon van Eena en later bij Domien vanden Bossche. Intussen volgde hij ook de lessen declamatie aan het Koninklijk Conservatorium. Om zich te vervolmaken in de kunst trok hij enkele jaren naar het buitenland, eerst naar Parijs, vervolgens naar Londen en dan naar de Verenigde Staten van Amerika. In Gent was hij was lid van de Zetternamkring, waarvoor hij volksliederen schreef, acteerde hij bij De Fonteinisten én werkte hij mee aan de kleine Snoeck’s almanak.
Als toneelschrijver debuteerde hij met het landelijk drama Roosje van den veldwachter (1880,  samen met Nestor de Tière geschreven). Zijn eerste blijspel, het succesrijke Kosterliefde (1878), zou de inzet zijn van een 20-tal toneelspelen.
Naast zijn hierna opgesomde “Gentse” blijspelen, behoren Per express (1881) en T.K. en P.K. (1886) tot zijn meest gekende werken.

Hendrikx wordt beschouwd als vernieuwer van de toneelliteratuur in Vlaanderen. Zijn werk was verfrissend na de weinig geïnspireerde, eerder zielloze, pseudo-romantische stukken van zijn voorgangers (deze van Hippoliet van Peene uitgezonderd) waarin zelfs de rederijkerstrant nog voortsluimerde.

Hij was waarnemer bij uitstek. Realistisch, meestal humoristisch en in een verzorgde taal zette hij het dagelijkse leven van kleine neringdoeners met hun hebbelijkheden en hun gebreken op het podium. Franssprekenden werden meestal over de hekel gehaald.
Zijn stukken waren rechtlijnig, zonder ingewikkelde verhaalstructuur of psychologische uitdieping; “folkloristisch” worden ze ook wel eens genoemd. Volksvermaak was er de voornaamste doelstelling van.
Meerdere van zijn werken bleven soms jaren op de affiche; de uitgaven ervan beleefden talrijke herdrukken of werden vertaald (bv. De aangebrande hutspot in het Waals, Frans en Engels, T.K. en P.K. in het Engels). Het herhalen van telkens hetzelfde “recept” begon er echter geleidelijk aan zwaarder op te wegen. Niettemin worden sommige stukken (bv. De familie Klepkens en Triconie en Cie) ook vandaag nog geprogrammeerd, vooral door amateurgezelschappen.

A. Hendrikx en Gent

Van bij zijn geboorte woonde hij in de Sint-Salvatorstraat. Nadien treffen we hem in het Huidevetterke (1855- ), de Visserij (1867- ), de Gelukstraat (1869- ) en de Kleine Schoolstraat (1875- ). In 1878 verhuisde hij naar de Bellevuestraat in Ledeberg. Rond 1880 vestigde hij zich in Brusselse.

Hij was en bleef Gentenaar in hart en nieren. Het duidelijkst blijkt dat in wat Frans de Coster zijn “vier grote Gentse blijspelen” noemde. Ze zijn doorspekt met sappige Gentse woorden en uitdrukkingen en stuk voor stuk zijn het Gentse zedenschetsen, ook al speelt de handeling zich niet altijd af  in deze stad af. Telkens weer gaat het over kleinburgers die, meestal ten prooi aan vrouwelijke hovaardigheid, “iets” willen bereiken, en telkens worden de Franstaligen over de hekel gehaald.

Prima Donna (1891, beschouwd als zijn meest gave werk), is het verhaal van een Gentse schoenmakersdocher die kost wat kost zangeres (liefst “prima donna”) moet worden.
Aangebrande hutspot (1893) is klaarblijkelijk geïnspireerd door de opera Faust (1859) van de Franse componist Charles Gounod. Diens drama is door Hendrikx omgewerkt tot een blijspel dat zich afpeelt in een van de Gentse poortjes. Hoofdpersonages zijn Jellen en Mietje, het verliefde koppel (vergelijk met Jellen en Mietje van Karel Broeckaert). Voorts is er in het stuk een lied De meiskens van Gent, een persiflage op De jongens van Gent van Napoleon Destanberg
De familie Klepkens (1893?) gaat over een Gentse familie die, daartoe aangespoord door een verwante snoeshaan, fortuin hoopt te vinden in Parijs waar de wereldtentoonstelling (1889) veel werkgelegenheid oplevert. Ze blijven daar enkele jaren, in armoede, hunkerend naar hun Gent. Een tombola zal de redding brengen.
In Triconie en Cie (1900?) wil een voddenkoopman, die “het hoog in zijn bovenkamer heeft”, gemeenteraadslid worden. Dit stuk kreeg in 1898 de prijs voor kluchtspel van de stad Gent, in een wedstrijd uitgeschreven naar aanleiding van de opening van de nieuwe Koninklijke Nederlandse Schouwburg.

[Frans Heymans]

Over A. Hendrikx:

•  F. Jos van den Brande en J.G Frederiks: Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891), p. 336-337. Zijn naam is vermeld als Hendrickx
•  Emiel Andelhof: August Hendrikx, in: Tweede reeks dichtproeven en kluchtig declamatorium (1919), p. 72-75
•  Maurtits Sabbe, Lode Monteyne en Hendrik Coopman: Het Vlaamsch tooneel, inzonderheid in de 19de eeuw (1927), p. 258-264
• F[rans] Decoster: August Hendrikx : Vlaams toneelschrijver herdacht, in: Oostvlaamsche zanten, jrg. 22 (1947), nr. 5-6, p. 109-151. Met biografie, korte bespreking van zijn werken, bibliografie en bloemlezing (vooral uit werken met autobiografische gegevens)
•  Daniël van Ryssel: August Hendrikx, in: Daniël van Ryssel: 55 vergeten Gentse schrijvers. Dl. 3, B (2008), p. 124-126. Bijdrage, bedoeld voor internet www.gentblogt.be; daar zoeken onder “Vergeten schrijvers”