terug naar index
Herckenrath, Adolf

(Aalst, 02.06.1879 - Gent, 04.07.1958)

Dichter, toneelschrijver, boekhandelaar en uitgever. Adolf Herckenrath is de geschiedenis ingegaan als de jeugdvriend voor wie Karel van de Woestijne zijn Laethemsche Brieven over de Lente (1901) schreef. Hij debuteerde met Verzen in het Antwerpse jongerentijdschrift Alvoorder, gevolgd door gedichten in het voorlaatste nummer van Van Nu en Straks (september 1901). Tot deze beide publicaties werd hij door Van de Woestijne gestimuleerd. Zijn stemmingslyriek is traditioneel van vorm en eerder bescheiden van inspiratie. De debuutbundel Stille festijnen (1909) stond nog sterk onder de invloed van Van de Woestijne en werd bekroond met de Prijs van de Provincie Brabant. Zijn overige poëzie werd zoals zijn toneelstukken in de jaren dertig en later gepubliceerd. De Luikse hoogleraar Mathieu Rutten verzorgde een bloemlezing Gedichten (1956) en roemde daarbij vooral de “fijngevoelige poëtische distinctie”. Herckenraths voornaamste wapenfeit in de literatuur was de samenstelling van Vlaamsche Oogst (1904), een bloemlezing uit het werk van de Van Nu en Straksers en hun kring. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij voorzitter van de Vereniging tot Bevordering van het Vlaamse Boekwezen (VBVB, nu Boek.be), een functie die hij tot 1951 bleef vervullen. 

In januari 1880 vestigden de ouders van Herckenrath zich in de Abdijstraat in Gent. Het jaar daarop verhuisden zij naar de Eendrachtstraat. Hij kreeg lager onderwijs in het schooltje van François Laurent in de Onderstraat, waar hij onder meer Pol Anri als leraar had. In 1893 werd hij leerling aan het Gentse Atheneum van de Ottogracht. Hij maakte er kennis met Karel van de Woestijne in de leerlingenkring van de Heremans’ Zonen. Toen Van de Woestijne zijn jaar opnieuw moest overdoen, zaten ze in het schooljaar 1896-97 zelfs samen op de banken van de poësis (vijfde jaar van de Grieks-Latijnse afdeling). Zoals zijn vriend maakte Herckenrath zijn studie niet af, maar in tegenstelling tot hem slaagde hij – bij een derde poging – wel in 1899 voor de Centrale Examencommissie. 

Van 1900 tot 1904 was Herckenrath ingeschreven in de Germaanse filologie aan de Gentse universiteit, maar hij beëindigde zijn kandidaturen niet. In 1901 stond hij bij de Gentse Bevolkingsdienst genoteerd als letterkundige. In september 1902 nam Herckenrath van Van de Woestijne het (hoofd)redacteurschap over van Het Kunstblad – de voortzetting van Het Tooneel (1899-1902) –  dat het nog veertien afleveringen uithield. Ondertussen was hij werkzaam voor de Almanak van ‘t Zal wel gaan en was hij in 1901 begonnen met recenseren voor het Tijdschrift van het Willemsfonds (de voorloper van De Vlaamsche gids). Ook bij het Algemeen Nederlands Verbond van zijn oud-leraar Hippoliet Meert was hij betrokken. 

In 1904 begon Herckenrath met zijn activiteiten als uitgever, die zich vooral voor de Eerste Wereldoorlog situeerden. Vanaf februari 1904 woonde hij in Ledeberg, in de Hovenierstraat. In januari 1907 vestigde hij zich, ondertussen gehuwd, in de Kerkstraat te Gentbrugge. Drie maand later echter verhuisde hij al terug naar Gent. Hij begon als boekhandelaar in de Koestraat, waar hij het fonds van de erven Julius Vuylsteke had overgenomen. Hij gaf er onder meer het tijdschrift Nieuw Leven (1908-1910) uit. Vanaf november 1909 woonde Herckenrath in de Veldstraat, waar hij de boekhandel van Adolf Hoste voortzette en zich – toen de universiteit tweetalig werd – vooral op Franstalige literatuur toelegde. Tussen beide wereldoorlogen was Herckenrath nog actief als lesgever en als bestuurslid van de toneelopleiding in Gent, waarvoor ook een tijdschrift De Tooneelschool (1937-1940) werd opgericht. Hij hielp mee om in 1938 Pan, de Kring van Oost-Vlaamse Letterkundigen, te stichten.
In 1935 betrok Herckenrath de villa ’t Kersouwken aan de Eikeldreef in Sint-Martens-Latem. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou hij daar enkele maanden (van mei tot november 1944) officieel verblijven. Vervolgens keerde hij naar zijn boekhandel in de Veldstraat terug waar hij (althans officieel) zou blijven wonen tot zijn overlijden. Na de oorlog werd zijn boekhandel verbouwd door de vermaarde architect Geo Henderick. Dankzij de voortzetting ervan door zijn zoon Walter en de kleinkinderen Guy en Helga leefde de naam Herckenrath ook nog verder tot de zaak midden 2000 de deuren sloot. 

Tijdens en na zijn voorzitterschap van de VBVB bleef Herckenrath gedichten en toneel publiceren. Zijn Heer Halewijn (1947), een bewerking van de Halewijn-legende, is gesitueerd in de omstreken van Gent. Hij onderhield ook een levendige briefwisseling met de in Latem wonende dichter Firmin van Hecke. Aan hem droeg hij de bundel Drie cantieken (1956) op. Tevens had hij contact met Richard Minne, van wie hij een “portret” in dichtvorm schreef. Van zijn cyclus van vijftien gedichten Gentsche kanteelen en relikwieën bestaat slechts één door Luce van de Putte handgeschreven en verlucht exemplaar uit 1947, dat voor het eerst in het tijdschrift Gandavum (1977) verscheen. 

A. Herckenrath werd begraven op de Westerbegraafplaats. 

[Hans Vandevoorde] 

Over A. Herckenrath: