terug naar index
Heremans, Jacob-Frans-Jan

(Antwerpen, 27.01.1825 - Gent, 13.03.1884) 

Leraar, academicus, taalkundige, flamingant, liberaal politicus.
In maart 1846 vestigde hij zich in Gent, aan de Kraanlei. Hetzelfde jaar nog verhuisde hij naar de Marjoleinstraat. Vervolgens woonde hij aan de Zandberg (1850-), in de Roskamstraat (1859-), aan de Visserij (1862-), in de Lousbergslaan (1867-) en in de Predikherenstraat (1881). 

Vanaf 1845 gaf hij les aan het Gentse Atheneum (Ottogracht). In 1854 werd hij lector, in 1864 buitengewoon en in 1871 gewoon hoogleraar aan de Gentse universiteit (waar hij als eerste sinds 1830 Nederlands sprak).
Als liberaal politicus werd hij in 1870 provincieraadslid van Oost-Vlaanderen (waar hij als eerste het woord in het Nederlands voerde). In 1875 werd hij Gents gemeenteraadslid en van 1880 tot 1882 schepen van onderwijs. In die hoedanigheid richtte hij o.m. meerdere scholen op.  

Bedrijvig in verenigingen en bij evenementen   

Alhoewel hij bestuurslid van de Association libérale was, werd hij ook voorzitter van de Gentse flamingantische kiesvereniging, de Vlaamsche Liberale Vereeniging (1866- ).
Tevens was hij betrokken bij tal van andere verenigingen en evenementen. Zo was hij, met andere kopstukken van de Vlaamse Beweging, in 1846 medestichter van het Vlaemsch Gezelschap, een deels letterkundige, deels liberaal-politieke kring. In 1852 was hij aan het Gentse Koninklijk Atheneum inspirator van het vrijzinnig taalminnend studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan, dat later zijn actieradius naar de Gentse universiteit zou verplaatsen. Hij was lid van De Tael is Gan(t)sch het Volk en medewerker van het Nederduitsch Taelverbond. In 1870 werd hij verkozen tot eerste voorzitter van de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taalkunde en in 1876 tot voorzitter van het Willemsfonds (tot 1882). In 1849 behoorde hij tot de mede-inrichters van het Nederlands Congres in Gent, de eerste hernieuwde bijeenkomst van Noord- en Zuidnederlandse taal- en letterkundigen na de onafhankelijkheid van België.

De literatuur 

Als stichter of als gewoon medewerker werkte hij mee aan de belangrijkste tijdschriften voor Nederlandse taal- en letterkunde, bv. aan  De Eendragt : veertiendaagsch tijdschrift voor letteren, wetenschappen en kunsten (1846-), Het Taelverbond (1853- ), Het Leesmuseum (1856- ) dat later Nederlandsch museum werd en waarvan  hij van 1874 tot 1884 bestuurder was.
Hij schreef tal van werken over taal- en onderwijskundige onderwerpen, bracht biografieën uit over o.m. Karel Lodewijk Ledeganck (1847), Theodoor van Rijswijck (1850) en Jan Baptist David (1868), én publiceerde bloemlezingen uit het werk van Nederduitse dichters (1853) en Nederduitse prozaschrijvers (1855).  

In zijn Nederlandsche dichterhalle : bloemlezing uit de Nederlandsche dichters... , dl. 1 (1858), p. 69-70, bezorgde hij het gedicht Ghent, gy waert een stad vol vreeden (vermelde auteur: C.A., 1580).
Uit het Deens van de historicus Frederik Schiern vertaalde hij in 1859 Noordsche oorspong van den draak des belforts te Gent (opgenomen in Vaderlandsch museum, dl. 4 (1861, p. 149-168).
Zelf schreef hij weinig verbeeldingsliteratuur. Wel zijn in dl. 1 van Van de Schelde tot de Weichsel (1881, verzameld door  Johan A. Leopold en L. Leopold) twee verhalen van hem opgenomen, geheel in het Gents dialect: De wandelende nachtwoikere (p. 33-34) en Oe de pasters in Vloindere zainge (p. 34-35). 

Naar hem wordt het taalminnend genootschap van de Gentsche Atheneumstudenten genoemd: De Heremans’ zonen. Hijzelf werd wel eens als “vader der Vlaamsche Studentenbeweging” bestempeld. 
Hij schonk hij zijn bibliotheek aan de Gentse universiteit, wat daar een van de basissen van de Nederlandstalige collectie zou worden.
De stad eert hem met een Jacob Heremansstraat, in de buurt van de Eedverbondkaai.   

[Johan Van Duyse]

Over J.F.J. Heremans: