terug naar index
Hertmans, Stefan

(Gent 31.03.1951 - )

Vlaams dichter, essayist, romancier, criticus, auteur van verhalen en toneel. Het oeuvre van Stefan Hertmans getuigt van een omvangrijke cultuur-historische belangstelling en kennis: literatuur, klassieke mythologie, filosofie, beeldende kunst, film, dans en diverse muziekgenres. Hertmans’ roman Ruimte (1981) werd bekroond met de prijs voor het beste literaire debuut in Vlaanderen in 1982. Zijn eerste poëziebundel Ademzuil (1984) vloeide voort uit zijn romandebuut. Met zijn roman Naar Merelbeke (1994) werd hij bekend bij het grote publiek. Een hoogtepunt was de uitreiking in 1995 van de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie (de vroegere Staatsprijs) voor de bundel Muziek voor de overtocht (1994; zelfde titel in 2006 voor zijn verzamelde gedichten 1975-2005). Hertmans publiceerde ook Het verborgen weefsel (2008), een kunstenaarsroman,  gedichten en maatschappijkritische essays respectievelijk in De val van vrije dagen (2010) en De mobilisatie van Arcadia (2011). In 2013 verscheen Oorlog en terpentijn, een roman gebaseerd op de (oorlogs)memoires van zijn grootvader. Mede door de herdenking van Wereldoorlog I (1914-1918) maar ook door de thematische rijkdom van het boek (schilderkunst, muziek, familie, liefde, verband met vroeger literair werk) oogstte Hertmans een gigantisch succes. Het boek was in 2014 de meest gelezen literaire roman in Vlaanderen en Nederland, werd bekroond met de Gouden Boekenuil van de Lezersjury, de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Proza, de AKO Literatuurprijs en brak internationaal door met talrijke vertalingen.

S. Hertmans en Gent  

Stefan Hertmans bracht zijn jeugdjaren door aan de Nijverheidskaai (langs de Schelde) in Sint-Amandsberg. Vanaf 1972 woonde hij in Gent in de Ekkergemstraat. Daarna had hij een huis in Assenede (1975-1978). In de loop van 1978 keerde hij naar Gent terug, waar hij verbleef in een appartement in de Rodelijvekensstraat. Van 1981 tot 1999 woonde hij in Drongenhof (aan de rand van het Patershol). Dan verhuisde hij naar Beersel, dichtbij Brussel.

Hij ging naar de lagere school in Sint-Amandsberg en volgde de klassieke humaniora, aanvankelijk in het Sint-Jan-Berchmanscollege (Sint-Amandsberg; huidige Sint-Janscollege) en de laatste twee jaar in het voormalige Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht. Daarna studeerde hij Germaanse filologie aan de universiteit van Gent. Vanaf 1974 gaf Hertmans les in het Stedelijk Secundair Kunstinstituut (in de Rodelijvekensstraat; Kunstencampus Ottogracht). Van 1990 tot 2010 doceerde hij kunstfilosofie en literatuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Academiestraat) die ondertussen deel uitmaakt van de Hogeschool Gent (Bijlokecampus, Jozef Kluyskensstraat) en van 2003 tot oktober 2010 was hij daar ook organisator van Studium Generale.

Hertmans werd geïnspireerd door Gentse kunstenaars en bleef verbonden met het Gentse culturele leven. In 1985 wijdde hij een korte studie aan de door Paul de Ryck uitgegeven De Cahiers van de Waterkluis (1933-1938); De Ryck woonde in de buurt van de Waterkluiskaai en Hertmans’ ouderlijk huis. Het essay Oorverdovende steen (1988) werd in 1986 in manuscriptvorm bekroond met de Prijs van de stad Gent voor Nederlandse literatuur. In de bundel Vuurwerk, zei ze (2003) bracht hij een vijftal etsen van de door hem bewonderde Gentse beeldend kunstenaar Karel Dierickx (1940-2014) poëtisch tot leven. In 2012 verscheen Giotto’s hemel, een bibliofiele, gezamenlijke uitgave van Dierickx (etsen) en Hertmans (gedichten). Naar aanleiding van 25 jaar Poëziecentrum (1980-2005) en in samenwerking met het Festival van Vlaanderen, werd de moderne opera Jullie die weten (libretto van Hertmans met als inspiratiebron Mozarts komische opera De bruiloft van Figaro) opgevoerd in de Vlaamse Opera (Schouwburgstraat). In 2008 ontving Hertmans de Vijfjaarlijkse prijs voor essay van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor Het zwijgen van de tragedie (2007). De teksten in de bekroonde essaybundel zijn verbonden met zijn theatertrilogie Kopnaad (1992; in opdracht van het voormalige Nieuwpoorttheater; huidige Kunstencentrum Campo), Mind the gap (2000) en De dood van Empedokles (2003; ongepubliceerd). Het laatste werk uit de trilogie is gebaseerd op het geljjknamige toneelstuk van Hölderlin, dat uitvoerig besproken wordt in Hertmans’ doctoraatsstudie (Kunstwetenschappen aan de UGent): Zäsur, differentie, Ursprung, Ironie : Hölderlin en de goden van onze tijd. In 2012 werd Stefan Hertmans lid van de KANTL.

Gent in literair werk

Het autobiografische gegeven dat Hertmans jarenlang in de nabijheid van de belangrijkste Gentse rivieren verbleef, bracht openheid en beweging in zijn proza en poëzie. In Ruimte (1981) beschreef hij jeugdherinneringen aan het ouderlijk huis (aan de Nijverheidskaai) en aan de Schelde. Elders – in de raadselachtige dichtbundel Het Narrenschip (1990), uitgegeven door het Poëziecentrum – dook een oude straatbenaming uit de tijd van Wereldoorlog II op, de “Tietshamtragel” (in het grensgebied Sint-Amandsberg-Destelbergen, langs de Schelde). Ook Drongenhof, dichtbij de Leie, waar zich  “het eeuwig huis vol zwarte tegels” bevond, inspireerde hem in dezelfde bundel. 

Zijn persoonlijke omgeving in het Patershol werd soms subliem geïntegreerd in gedichten vol zelfbespiegeling en zintuiglijke waarnemingen. Vooral de eerste gedichtenreeks van  Muziek voor de overtocht (1994) sprak erg tot de verbeelding: de dichter liet vanuit zijn huis een slak, begeleid door Hindemiths pianomuziek (in 1936 verderfelijke muziek in nazi-Duitsland), een tocht door heel Europa maken. In de essaybundel Steden : verhalen onderweg (1998) verbond de auteur door zijn reisimpressies Gent met talrijke Europese steden. Een oude foto van de achtergevels van Drongenhof, uit het begin van de twintigste eeuw, sierde de kaft van de eerste druk van Steden. Het voorlaatste hoofdstuk van het boek, onder meer over het thuisgevoel in zijn geboortestad, kreeg als titel Wolken. Thuis (1991) - en dat is ook de titel van een essay van de Oostenrijkse Elfriede Jelinek, laureate van de Nobelprijs voor literatuur 2004.  

Gentse monumenten en belangrijke sites kregen een nieuwe dimensie in Hertmans’ gedichten. Het beroemde Lam Gods werd opgenomen in de bundel Het Narrenschip (1990). In een droomsfeer, in de bundel Annunciaties (1997), riep hij het oude Bijlokehospitaal en het nieuwe Bijlokegebouw op. Hertmans tastte ook de grenzen van leven en dood af op een Gents kerkhof, in Francesco’s paradox (1995), of door het spel met het beeld van een man die van het Gravensteen springt, in Goya als hond (1999). 

De auteur verwerkte zijn voorliefde voor symbolische ruimtes zoals de voormalige stadsbibliotheek aan de Ottogracht en het “glazen straatje” (de Van der Doncktdoorgang dichtbij het Zuid) respectievelijk in de groteske verhalenbundels Gestolde wolken (1987; Multatuliprijs 1988) en in De grenzen van woestijnen (1989). Een oud klaslokaal inspireerde hem tot het schrijven van Gelukstraat, Gent uit de bundel Annunciaties (1997) en het “oude postgebouw” (Korenmarkt) verscheen in een droomfragment in de roman Het verborgen weefsel (2008).

Ook in zijn hierna vermelde romans zijn “Gentse” sporen terug te vinden. Zij kunnen beschouwd worden als een trilogie van de onzekerheid en bedreiging van de persoonlijke identiteit. De paradijselijke ervaring van de kindertijd (onder meer op het Sint-Pietersplein) ontluisterde hij met veel ironie en taalvernuft in Naar Merelbeke (1994). In Als op de eerste dag : een roman in verhalen (2001; Bordewijkprijs 2002) beschreef Hertmans hoe de drang naar zuivere, intense ervaringen van adolescenten in de “Koninklijke Kweekschool” (het vroegere Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht) en op de Korenmarkt, ontaardden in geweld. Ten slotte werd een passage op de vredige zondagse bloemenmarkt (op de Kouter) vrijwel onmiddellijk daarna overschaduwd door de ontdekking van een moord in Harder dan sneeuw (2004).

Gent in de roman Oorlog en terpentijn (2013)

In deze autobiografische roman vertelt Hertmans het levensverhaal van zijn grootvader Urbain Martien (1891-1981), gebaseerd op twee bewaarde schriften die de periode tot 1919 beschrijven. De periode tot 1981 heeft Hertmans aangevuld met zijn eigen herinneringen aan zijn grootvader en met die van Hertmans’ vader en familie. Tot 1914, in het eerste deel van de roman, treedt Hertmans met zijn bespiegelingen – verlucht met dialectwoorden, fragmenten uit het eerste grootvadercahier en unieke foto’s – in de voetsporen van zijn grootvader, onder meer in de Heirnis- en de Dampoortwijk,  bij inmiddels verdwenen locaties als het Zuidstation, boekhandel Hoste (later Herckenrath) en patisserie Bloch in de Veldstraat, het Italiaanse ijssalon Veneziana (tegenover het Gravensteen) en nog bestaande gebouwen als Hotel Falligan op de Kouter en de Berg van Barmhartigheid in de Abrahamstraat (vroegere stadsarchief). Ook politieke tegenstellingen en sociaal-economische omstandigheden (socialisten-katholieken, kinderarbeid in ijzergieterij en moderne techniek) worden trefzeker weergegeven.
Hertmans verbindt op een fijnzinnige manier Gentse plekken met zijn grootvaders liefde voor de muziek (Kouter) en de schilderkunst (Museum van Schone Kunsten, fresco’s in Gentse kerken en kloosters, waar zijn vader Franciscus als schilder werkte). Revolutionair-nieuwe en symbolische Gentse plaatsen roepen zowel geloof en bewondering als weerzin en angst op: het Sint-Pietersstation en de Wereldtentoonstelling in 1913, de Port Arthurlaan en het havengebied, het bedevaartsoord  en Hotel de Lourdes in Oostakker.
Gentse herinneringen belichten ook het sombere verhaal van de moedige soldaat Urbain Martien in Wereldoorlog I, dat contrasteert met het geluk van Hertmans’ grootvader na de oorlog, vooral de laatste jaren voor zijn dood in 1981, dichtbij de Nederschelde (Gentbruggestraat, Nijverheidskaai) in “dat enigszins dromerige huis aan de oevers van de Schelde”. Zo maakt ook de schrijver de cirkel rond omdat de Schelde en het grootvaderpersonage al opdoken in zijn debuutroman Ruimte (1981).

[Joël Neyt]

Over S. Hertmans: