terug naar index
Hoffmann von Fallersleben, August Heinrich

(Fallersleben, 02.04.1798 - Corvey, 19.01.1874) 

Duits filoloog en dichter, van 1830 tot 1842 hoogleraar in Breslau. Als romanticus verdiepte hij zich vooral in de studie van volksliederen en schreef hij o.m. minne- en kinderliederen maar ook politieke liederen. Het meest gekende van deze laatste  was wel zijn Lied der Deutschen (“Deutschland, Deutschland über alles...”, 1841) dat de nationale hymne werd.  

Hij legde zich al vroeg toe op de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde.Vooral het Middelnederlands interesseerde hem. Hij ondernam tal van reizen, ook naar Nederland en Vlaanderen (in Vlaanderen verbleef hij o.m. in Antwerpen, Leuven, Mechelen en Gent). Overal speurde hij in wetenschappelijke bibliotheken naar oude literaire teksten en volksliederen. Zelf schreef hij ook gedichten en liederen in het Nederlands, zelfs in het Middelnederlands. Het resultaat van dat alles publiceerde hij in zijn twaalfdelige Horae Belgicae (gepubliceerd van 1830 tot 1862). Daarin werden o.m. opgenomen: Floris ende Blancefloer (dl. 3, 1836), Carel ende Elegast (in dl. 4, 1836), Lanseloot ende die scone Sandrijn (1837), abele spelen (dl. 6, 1838) en andere oude teksten die tot dan toe onbekend waren. Ook in Horae Belgicae publiceerde hij de twee delen Loverkens (resp. in dl. 8, 1852 en in dl. 12, 1862) met zijn zelf in het Nederlands geschreven minneliederen. 

Zijn vele contacten met filologen en letterkundigen in onze gewesten wekten zijn belangstelling voor de Vlaamse Beweging. Die belangstelling was wederzijds, niet het minst door zijn talrijke ontdekkingen van oude Vlaamse teksten.   

A.H. Hoffmann von Fallersleben en Gent 

Hij bezocht Gent meermaals: in 1837, 1839, 1854, 1855 en 1856. Gewoonlijk was hij dan (soms enkele weken) te gast bij Jan Frans Willems met wie hij ten andere een intense correspondentie voerde (door Ada Deprez gepubliceerd in 1963, zie verder).
Hij werd ontvangen door het Gentse Vlaemsch Gezelschap (waarvan hij corresponderend lid werd), het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal wel Gaan en de Maetschappy De Tael is Gansch het Volk. Zo leerde hij de toonaangevende leden van de Vlaamse Beweging kennen: Jan Frans Willems, Prudens van Duyse, Ferdinand Augustijn Snellaert, Jacob-Jan-Frans Heremans en anderen). 

Naar aanleiding van zijn bezoek in 1856 gaf Frans Rens in het tijdschrift De Eendragt een impressie van de populariteit die hij in Gent genoot: “... Het zal wel geene verzekering behoeven dat de heer Hoffmann von Fallersleben by de vlaemsche letterkundigen dezer stad even zoo welkom was als by zijne vorige bezoeken (...). Daervan hebben zy hem een doorslaend blyk willen geven door het inrigten van een vriendenmaeltje, door ongeveer twintig persoonen te zyner eere bygewoond, en te welker gelegenheid de steeds opgeruimde en immer met jeugdigen gloed gevoelende man ettelyke zyner voortbrengselen, zoo in ’t neder- als hoogduytsch [Nederduits = Nederlands], voorlas en zong, onder de geestdriftige toejuiching der verrukte aenhoorders..”.
In diezelfde bijdrage publiceerde De Eendragt een door hem geschreven Nederlands gedicht, ‘t Zal wel gaen, dat hij voorlas tijdens zijn bezoek aan De Tael is Gansch het Volk. Een ander gedicht van hem, Vlaenderen dach en nacht, werd door Florimond van Duyse op muziek gezet.

[Frans Heymans]

Over A.H. Hoffman von Fallersleben: