terug naar index
Hugo, Victor

(Besançon, 26.11.1802 - Parijs, 22.05.1885)  

Victor Hugo is, op Voltaire na, de bekendste dichter en romancier van Frankrijk. Zijn proza en zijn verzen getuigen van een hartstochtelijk sociaal, politiek en filosofisch engagement. Tijdens de Tweede republiek, in 1848, was Hugo lid van de wetgevende Constituante; in de Derde Republiek, vanaf 1876, werd hij (met zijn uitgesproken linkse sympathieën) Senaatslid-voor-het-leven. 

Als romancier schiep hij onvergetelijke types; als vader en grootvader schreef hij wereldberoemde verzen van liefde en leed. Tot zijn (ook nu nog) overbekende werken behoren o.m. Notre-Dame de Paris (1831) en Les misérables (1862).  

Zoon van een militair, woonde hij achtereenvolgens in Corsica, op Elba, te Napels en in Spanje. In weerwil van wat meestal wordt beweerd – en vergeleken met de treklust van zijn romantische tijdgenoten – was hij geen groot reiziger. Zijn reizen beperkten zich tot korte afstanden: naar Chartres, Bretagne, Normandië, de Rijnstreek en een enkele keer naar de Mont Blanc. België bezocht hij verscheidene malen.  

In december 1851 nam hij om politieke redenen de wijk naar België. Hij bleef er in vrijwillige ballingschap tot augustus 1852. Vervolgens woonde hij drie jaar in Jersey en vijftien jaar op het Britse Kanaaleiland Guernesey. Vanaf 1861 ondernam Hugo, vanuit Guernesey, jaarlijks tochten naar België, Nederland of de Rijn, nooit verder.  

De reden van zijn langdurige verblijf buiten Frankrijk: zijn in 1852 te Brussel uitgegeven  Napoleon le Petit dat een niets ontziend pamflet tegen keizer Napoleon III was. Het boek bracht België (waar hij tot dan verbleef) in een hachelijke positie tegenover Frankrijk. Daarom verzocht de Brusselse burgemeester Charles de Brouckère hem het land te verlaten.  

V. Hugo en Gent 

Door de brieven die Hugo schreef aan zijn vrouw Adèle Foucher zijn we bijzonder goed ingelicht over zijn reizen. Die volgehouden correspondentie mag merkwaardig heten omdat hijzelf een jarenlange verhouding had met Juliette Drouet terwijl Adèle in alle openheid een verhouding had met de Franse criticus Sainte-Beuve. Hoe dan ook, Adèle bleef Hugo’s correspondente, tot aan haar dood in 1868. Andere reisbrieven schreef Hugo aan zijn vriend, de schilder Louis Boulanger.
Uit die correspondentie blijkt hoezeer Hugo geboeid was door de sfeer en de architectuur evenals door de sociale en economische geschiedenis van de Vlaamse steden (die hij uniek noemde). De schetsen die hij bij zijn brieven maakte, getuigen van zijn tekentalent. 

Hugo bezocht Gent voor het eerst in 1837. In een brief die hij op 24 augustus 1837 vanuit Oudenaarde richtte aan zijn vrouw, schreef hij over dit bezoek : “Ik heb het Groot Kanon van Gent gezien, ik maak je hier een kleine schets...”. Later werkte hij de bekende schets uit tot een minder correcte weergave van de werkelijkheid.   

In dezelfde brief beschrijft hij Gent, gezien vanop de toren van de Sint-Baafs kathedraal. In zijn Laus Gandae citeert Victor Fris uit deze brief. In detail tekent Hugo een stad die vandaag grotendeels veranderd is. Zo inspireren de vier historische waters (Schelde, Leie, Lieve en Moer die in Hugo's tijd nog van kapitaal belang schenen) de schrijver tot de bekende boutade dat “Gent een Venetië van het noorden was”.  

Minder bekend is Hugo's Gentse “doortocht ” in december 1851, na de staatsgreep van de Franse prins-president Louis-Napoleon (de latere Napoleon III). Hugo – die met luide stem maar zonder succes de republiek verdedigde – vreesde, opgepakt te worden door de politie. Vermomd in een werkmanspak en onder een valse naam (met een reispas van typograaf Jacques-Firmin Lanvin) vluchtte hij naar Brussel, via Gent. Pas na de nederlaag van Frankrijk (en van keizer Napoleon III) in de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) kon Hugo naar Parijs terugkeren. Hij werd er triomfantelijk ontvangen.  

[Nicole Verschoore]

Over V. Hugo: