terug naar index
Inghelram, Daan

(Middelkerke, 23.07.1905 - Sint-Denijs-Westrem, 26.09.2003) 

Auteur van talrijke romans, novellen en jeugdboeken. Hij schreef ook onder verschillende pseudoniemen, o.m. P.C. Vercruysse, P.C. Duyncanter, P.C. Geldhof, Jan Van Marlinghen en K. Yperman.
Hij studeerde aan de Rijksnormaalschool te Gent, was achtereenvolgens onderwijzer te Gembloux en leraar Nederlands en Duits aan de Rijksmiddelbare School te Zottegem evenals (van 1956 tot 1970) aan de Normaalschool te Blankenberge (1956-1970). 

Inghelram werkte mee aan talrijke tijdschriften (o.m. Dietsche Warande en Belfort). Hij schreef korte verhalen voor o.m. Ons Volk en Taptoe en hij was film-, toneel-, en was variétécriticus voor De Standaard 

Zijn romans en novellen situeren zich vooral in Vlaanderen. Vaak zijn ze gebaseerd op historische feiten of op de bijbel. Hij debuteerde op rijpere leeftijd (onder pseud. Jan van Marlinghen) met de roman Lotsverbondenen (1943). Andere prozawerken waren De boskanter (1947) waarvoor hij de Emiel Vlieberghprijs van het Davidsfonds kreeg; zijn meest gewaardeerde roman Angélique (1948) en De zwerver (1955) die ook in het Duits verscheen. Van zijn jeugdboeken vermelden we Het Nibelungenlied (1948, met illustraties van Victor Stuyvaert), Om u treur ik, Jonathan (1953) dat werd onderscheiden met de vijfjaarlijkse prijs van de Vlaamse provincies, en zijn laatste werk, De brief aan Koning Albert (1974).
Als lid van de Vereniging van Katholieke Oost-Vlaamse Schrijvers nam hij deel aan elke “Leievaart”. 
Sedert 1985 wordt te Blankenberge een tweejaarlijkse Daan Inghelram-prijs voor proza uitgereikt.    

D. Inghelram en Gent 

Van 1945 tot 1949 woonde hij in Gent, in de Heernislaan. In 1949 verhuisde hij naar de Em. Maeyensstraat in Sint-Amandsberg. In 1957 trok hij naar Blankenberge. Eind 1998 vestigde hij zich in Zwijnaarde, aan de Maaltemeers. 

Zijn jaren te Gent waren ongetwijfeld de meest vruchtbare uit zijn loopbaan. Alhoewel hij een kind van de zee was, hield hij van deze stad. De Vrijdagmarkt met Jacob van Artevelde, de Gras- en Koornlei met hun historische gevels, de Schelde met haar traag varende boten, de drie torens en vooral ook het Patershol – ze kregen ieder hun verhaal. 

Gentse werken 

Angélique is een magisch-realistische verhaal dat zich afspeelt in Gent, in de omgeving van het Gerard Duivelsteen. Het berust op historische gronden, het feit namelijk dat er in de jaren 1850-1860 in Gent een geheimzinnig “spookhuis” stond, een patriciërswoning aan de Reep, waar elke nacht kaarslicht brandde. In werkelijkheid bewaarde een door smart half krankzinnig geworden moeder daar gedurende tien jaar het gebalsemde lijk van haar dochtertje.
Volgens Paul Hardy heeft Inghelram dit gegeven in Angélique tot één van de zuiverste scheppingen van het Vlaams proza uitgewerkt. Filip de Pillecyn (waarmee Inghelrams stijl wel eens wordt vergeleken) roemde het als “een klaar en welluidend proza dat in beheerste soberheid iedere zin wil verantwoorden...”. Hij prees dit proza als “volmaakt àf” en met “een zekerheid van bewegen tussen het onwerkelijke en het levensgebeuren”.
Dit “spookgeval” bracht de geesten te Gent sterk in beroering. Ook Virginie Loveling wijdde er een verhaal aan, Onze idealen, dat opgenomen is in haar novellenbundel Bina (1915). Paul de Ryck vertelt hetzelfde onder de titel Het spookhuis bij de Watermolenbrug, in zijn bundel Gentianen : een resem oude Gentse sagen (1955).
Over zijn huisbaas in Gent schreef Inghelram een verhaal, Pere Boeboe (verschenen in Ons Volk, 1948), waaruit blijkt dat de auteur niet van humor gespeend was.  

[Lieve Inghelram]

Over D. Inghelram: