terug naar index
Joyce, James

(Dublin, 02.02.1882 - Zürich, 13.01.1941) 

Ierse Engelstalige schrijver, journalist, leraar en tenorzanger. Opleiding in jezuïetencolleges en aan University College in Dublin. Nadat Joyce Ierland in 1904 voorgoed verliet, woonde hij in Triëste, Rome, Zürich en Parijs.
Hij publiceerde als achttienjarige al een bijdrage over de Noorse auteur Henrik Ibsen, schreef  lyrische verzen (Chamber Music en PomesPpennyeach), hekeldichten en het toneelstuk Exiles (1914). De stad Dublin bevolkt echter zijn belangrijkste werk: de trefzeker geschilderde Dubliners (1914), zijn in zelfspot gedrenkte jeugdherinneringen A Portrait of the Artist as a Young Man (1916), het lang gecensureerde Ulysses (1922) en het bijna onleesbare, cyclische Finnegans Wake (1939). Zijn literaire roem dankt hij vooral aan deze laatste twee boeken, tegelijk encyclopedie en parodie, alledaagse realiteit en symbool. Zijn revolutionaire schrijftechniek (“stream of consciousness”) was bijzonder invloedrijk.
Ulysses werd door de Britse krant The Guardian verkozen tot het belangrijkste boek van de twintigste eeuw. De Franse auteur Valery Larbaud noemde het voor de literatuur even onmisbaar als Einsteins relativiteitstheorie voor de fysica. 

Joyce en Gent

Na de zoveelste oogoperatie was Joyce in 1926 met herstelvakantie in België, van 6 augustus tot 29 september. Hij verbleef in Oostende, Antwerpen en Brussel. Hij had hier heel wat belangstellende vrienden, o.a. Joris van Severen en Clément Pansaers. Tijdens zijn verblijf in Vlaanderen werkte hij aan de Duitse vertaling van Ulysses, onmiddellijk daarna schreef hij het Belgisch gekleurde openingshoofdstuk voor Finnegans Wake. Ook A Portrait of theArtist as a Young Man en Ulysses bevatten Belgische referenties. 

Een prentkaart van het Geraard Duivelssteen die hij stuurde aan zijn uitgever, toont aan dat Joyce op 16 september 1926 in Gent was. In zijn literair werk is tot nu toe echter maar één specifieke Gentse referentie gevonden, in Finnegans Wake. Joyce-specialisten vermoeden echter dat een cruciaal “Belgisch” notitieboek vermist is.  

Taalfreak Joyce bleef zijn tekst vervormen en aanvullen met steeds meer betekenissen, in zo’n zeventig talen en dialecten; daarom hield hij ook Vlaams-Franse woordenlijsten bij en schreef hij het boek in een “onzuivere” mengtaal. Zowel mythische als historisch-geografische achtergronden (de Belgische slagvelden) en menselijke ervaringen vloeiden ineen.
In deze context buit Joyce (in Finnigans Wake, hoofdstuk 1, als hij het heeft over een rondleiding in het museum van Waterloo) de toevoeging van één enkele letter uit om het personage Willingdone (Wellington, Brits aanvoerder in Waterloo, in werkelijkheid geboren in Ierland) van een Gentse afkomst te voorzien: “This is the Willingdone bornstable ghentleman”. De typering gaat terug op Wellingtons beroemde uitspraak: “Als een gentleman geboren wordt in een stal, wil dat nog niet zeggen dat men hem een paard mag noemen”. De Gentse referentie is een typevoorbeeld van de verdichtingstechniek die Joyce in elke regel van zijn laatste boek gebruikte. Of dit paradoxale neologisme op meer teruggaat dan op zijn toevallig verblijf in Gent, zal enkel blijken als het ontbrekende notitieboek ooit wordt teruggevonden. 

[Jean-Paul den Haerynck]

Over J. Joyce: