terug naar index
Lilar, Suzanne

(Gent, 21.05.1901 - Brussel, 11.12.1992, meisjesnaam Suzanne-Jeanne-Charlotte Verbist)

Franstalige dramaturge, essayiste en schrijfster, vanaf 1956 lid van de Académie de langue française.
In 1919, na een toelatingsexamen voor de Middenjury, begon zij haar studies aan de Rechtsfaculteit van de Gentse universiteit. Tijdens die studies volgde zij aan de Ottogracht, waar de Universitaire Bibliotheek toen gevestigd was, een seminarie over Hadewych. Haar belangstelling voor de mystiek, die in haar latere essayistiek, toneelwerk en romans een grote rol zou spelen, dagtekent dus reeds uit haar Gentse jeugd.
In 1925 behaalde zij het diploma van doctor in de Rechten. Haar stage aan de balie van Antwerpen betekende het einde van haar Gentse jaren. In 1918 verliet zij Gent definitief en verhuisde zij naar Antwerpen (Merksem). In 1929 huwde zij advocaat (en later) minister Albert Lilar. Na haar overlijden werd zij bijgezet in het Erepark van Schoonselhof te Antwerpen, samen met haar echtgenoot.

Suzanne Lilar was de moeder van de Franstalige schrijfster Françoise Mallet-Joris en van de kunsthistorica Marie Fredericq-Lilar die o.m. L'Hôtel Falligan, chef-d'oeuvre du Rococo gantois (1977) en het portret van de schildersfamilie Van Reijsschoot schreef in Gand au XVIIIe siècle : les peintres van Reijsschoot (1992).
Suzannes cultuurhistorisch inzicht, haar analyse van bewustzijn en emotie, haar zoektocht naar schoonheid en liefde zijn tegelijk actueel en tijdloos. Ze begon met journalistiek werk (over republikeins Spanje in L'Indépendance belge, 24.09 tot 18.10.1931) en theater met o.m. Le Burlador ou l'Ange du démon (eind 1946 gecreëerd in Parijs), Tous les chemins mènent au ciel (1947) en Le Roi Lépreux (1951).

In 1954 kreeg haar eerste lange essay, Le Journal de l'analogiste, ruime belangstelling. Zij analyseerde daarin de oorsprong van de ervaring van schoonheid. De weg van de analogieën omvat de volledige cultuurgeschiedenis van de West-Europese traditie. Uit haar later werk zou blijken dat de invloed van haar Gentse jaren doorslaggevend was voor de thema's in het onderzoek.

Le Couple (1963) bevat prachtige bladzijden over Rubens. Het werd in 1976 in het Nederlands gepubliceerd, met een nawoord van Marnix Gijsen.
Haar twee werken A propos de Sartre et de l'amour (1967, over het feminisme na de eerste extreme golf) en Le Malentendu du deuxième sexe (1969) worden samen vaak haar  “Sartre-Beauvoir” genoemd.
Daarop volgden de autobiografische roman Une Enfance gantoise (1976; vertaald als Een kind te Gent, 1990) en het geïllustreerde A la recherche d'une enfance(1979), beide uitgesproken over haar Gentse kinderjaren.

S. Lilar en Gent

Haar kinderjaren, haar jeugd en haar studententijd zijn van doorslaggevend belang geweest voor haar schrijven.
Zij werd geboren in de Vlaanderenstraat. Enkele maanden na haar geboorte verhuisden haar ouders naar de Nieuwpooortstraat. In 1904 vestigden zij zich aan het Sint-Baafsplein, twee jaar later in de Henegouwenstraat en in 1908 in de Lieven de Winnestraat. Haar familie bezat toen aan de Godshuizenlaan nog een “buitenverblijf”, een lapje tuin met een barak.
Haar geboortehuis in de Vlaanderenstraat was van haar grootmoeder. Haar tantes, korsettenmaaksters, runden er een atelier. Als kind verbleef Suzanne daar vaak. Door de brede vensters kon zij er o.m. de driedaagse Gentse carnavals gadeslaan. Vader Verbist, stationschef van het goederenstation aan het Rabot, schilderde in zijn vrije tijd, zong (o.a. bij de Melomanen) en trok met vrouw en dochter de natuur in, op zondagnamiddag naar de Groenen Boomgaard en het Heilighuizeken in Drongen.

Het appartement aan het Sint-Baafsplein, dat Suzannes ouders van haar ooms huurden lag tussen het Belfort en de Sint-Baafskathedraal, boven een winkel van schrijfmachines. De beklimming van de Belforttoren met haar vader, op zondagochtenden, deed haar vaak huiveren van de akelige kraakgeluiden en de vogelkreten. Het bracht haar ook in vervoering voor de hemel, de stad, de rivieren en het land.
Niet alleen haar vader, maar ook haar moeder – een “op Gent verliefde” onderwijzeres – speelde een belangrijke rol in Suzannes verhouding tot Gent. Zeer vroeg nam haar moeder haar mee op wandelingen naar het Prinsenhof, het Gravensteen, de Achtersikkel, het Gerard de Duivelsteen... Daarbij vertelde moeder honderduit over de militaire functie van de 15de eeuwse Rabottorens, de in het Gravensteen gegijzelde Engelse koningin die er van John of Gaunt beviel en de begijnen van Ter Hoye in de Lange Violettenstraat. Moeder nam haar ook mee naar de school in de toenmalige Casinostraat (thans Wispelbergstraat) waar ze lesgaf van 1904 tot 1916, van in de kleuterklas tot de in de Stedelijke Normaalschool voor onderwijzeressen.

Dat alles, die vele ervaringen en indrukken, vinden we terug in Une Enfance gantoise en in de andere, hoger genoemde “Gentse” werken van Suzanne Lilar. Une Enfance gantoise is systematisch ingedeeld. In acht hoofdstukken behandelt zij achtereenvolgens “les castes” (in de Nederlandse vertaling “de kaste”), “le langage” (“de taal”), “le sacré” (“het sacrale”), “les mystères” (“de mysteries”), “le merveilleux” (“het wonderbare”), “les jeux” (“de spelen”), “le bien et le mal” (“het goede en het kwade”)  en  “le problème de l’être” (“het probleem van het zijn”).

Eén anekdote uit Une Enfance gantoise typeert de jonge Suzanne ten voeten uit. Na de moordpartijen in Dinant en de vernielingen in Leuven, besliste de toenmalige Gentse burgemeester Emile Braun in 1914, zijn stad zonder verdediging aan de Duitse bezetter over te leveren. De jonge Suzanne, die toen naar school ging in de Casinostraat, schreef een brief aan burgemeester Braun waarin zij hem dankte, de stad van de vernieling te hebben gered. Getekend, “een leerling van de Stadsschool Casinostraat”, met aanduiding van haar klas. Na ontvangst van de brief bracht de burgemeester een bezoek aan haar klas. Hij was vol lof voor de school, de klas en de brief, maar de briefschrijfster bleef anoniem.

In 1960 verschenen Le Divertissement portugais en La Confession anonyme. Laatstgenoemde roman, over de passionele verhouding tussen een Zweedse pianiste en een bekend jurist in Noord-Italië, werd door filmregisseur André Delvaux onder de titel Benvenuta nagenoeg volledig in Gent verfilmd, omdat hij voor zijn filmscript de achtergrond van de "femme du Nord" verrijkte met biografische gegevens uit Lilars "enfance gantoise".

Vlamingen tenslotte, citeren graag uit haar Gentse romans, waar zij handelt over het Nederlands als eeuwenoude cultuurtaal, de taal van Hadewych, Ruusbroec en Rubens, met adelbrieven die opklimmen tot de 12de eeuw.

[Nicole Verschoore]

Over S. Lilar: