terug naar index
Loveling, Rosalie

(eigenlijk Frederica R., Nevele, 20.03.1834 - Nevele, 11.05.1875)

De gezusters Loveling

Rosalie en Virginie waren dichteressen en prozaïsten die opgroeiden als jongsten in een groot gezin waar aandacht voor cultuur, lezen en de kennis van verschillende talen vanzelfsprekend was.
Na de zelfmoord van hun vader Herman Anton Loveling (21.07.1846) belandden ze bij hun halfbroer Cesar Fredericq, derde zoon uit het eerste huwelijk van hun moeder Marie Comparé. Het huis van Cesar Fredericq in de Sleepstraat werd snel een verzamelplaats van jonge progressieve intellectuelen rond de sociaal en politiek vooruitstrevende Franse hoogleraar François Huet. Onder hen: Gustave Callier, Emile de Laveleye, Constant Leirens en Jean Stecher. Franssprekend, liberaal en Vlaamsgezind. In deze Cercle Huet werd besloten tot de oprichting van De Broedermin (1848-1859), een voor Vlaanderen uitzonderlijk hoogstaand blad waarin volksverheffing, de rol van het onderwijs, solidariteit en zedelijke bewustwording centraal stonden. Rosalie zou de naam hebben bedacht. De meisjes, hoewel erg vroegrijp, waren uiteraard te jong om aan gesprekken deel te nemen, maar de cultureel-intellectuele sfeer in het huis heeft hen diepgaand beïnvloed. Rosalie en Virginie bleven enkele jaren in Gent en ontmoetten er ook een aantal vooraanstaande figuren uit de Vlaamse Beweging
In Nevele behielden ze de contacten die ze in Gent maakten. Ze keerden er vaak terug en bezochten o.m. alle zittingen van het Wetenschappelijk Internationaal Congres in 1863. In de jaren ’70 stond Virginie erop te worden uitgenodigd als redenaars met talent, als Bara en Frère-Orban, kwamen spreken.
Van Gent is in Rosalies oeuvre nagenoeg geen spoor te vinden. Ze stierf te Nevele maar wilde in Gent begraven worden. Het ‘Geuzenkerkhof’ van de Brugse Poort was noch voor haar moeder, noch voor zus Pauline en Louis Buysse een optie, het later Campo Santo genoemde kerkhof van Sint-Amandsberg wel. Haar graf vindt men in park C, graf 31b, rij 1, 12de graf.
Rosalie en Virginie waren al heel snel beroemde figuren in letterkundige kringen in Noord en Zuid.
Met hun gezamenlijk uitgegeven Gedichten (1870) lieten ze zich meteen opmerken in het Nederlandse literaire landschap. De realistische gedichten waren ongecompliceerd en erg beschrijvend van aard, af en toe met een sociale ondertoon. Via het maken van vertalingen van Nederduitse verhalen van Klaus Groth kwamen ze tot het schrijven van eigen novellen die ze ook samen uitbrachten: Novellen (1874), Nieuwe Novellen (1876).

[Ludo Stynen]

Over R. Loveling: