terug naar index
Loveling, Virginie

(eigenlijk Marie V., Nevele, 17.05.1836 - Gent, 01.12.1923, schreef ook onder pseudoniem W.G.E. Walter)

De gezusters Loveling

Rosalie en Virginie waren dichteressen en prozaïsten die opgroeiden als jongsten in een groot gezin waar aandacht voor cultuur, lezen en de kennis van verschillende talen vanzelfsprekend was.
Na de zelfmoord van hun vader Herman Anton Loveling (21.07.1846) belandden ze bij hun halfbroer Cesar Fredericq, derde zoon uit het eerste huwelijk van hun moeder Marie Comparé. Het huis van Cesar Fredericq aan de  Sleepstraat 12 werd snel een verzamelplaats van jonge progressieve intellectuelen rond de sociaal en politiek vooruitstrevende Franse hoogleraar François Huet. Onder hen: Gustave Callier, Emile de Laveleye, Constant Leirens en Jean Stecher. Franssprekend, liberaal en Vlaamsgezind. In deze Cercle Huet werd besloten tot de oprichting van De Broedermin (1848-1859), een voor Vlaanderen uitzonderlijk hoogstaand blad waarin volksverheffing, de rol van het onderwijs, solidariteit en zedelijke bewustwording centraal stonden. Rosalie zou de naam hebben bedacht. De meisjes, hoewel erg vroegrijp, waren uiteraard te jong om aan gesprekken deel te nemen, maar de cultureel-intellectuele sfeer in het huis heeft hen diepgaand beïnvloed. Rosalie en Virginie bleven enkele jaren in Gent en ontmoetten er ook een aantal vooraanstaande figuren uit de Vlaamse Beweging
In Nevele behielden ze de contacten die ze in Gent maakten. Ze keerden er vaak terug en bezochten o.m. alle zittingen van het Wetenschappelijk Internationaal Congres in 1863. In de jaren ’70 stond Virginie erop te worden uitgenodigd als redenaars met talent, als Bara en Frère-Orban, kwamen spreken.
Van Gent is in Rosalies oeuvre nagenoeg geen spoor te vinden. Ze stierf te Nevele maar wilde in Gent begraven worden. Het ‘Geuzenkerkhof’ van de Brugse Poort was noch voor haar moeder, noch voor zus Pauline en Louis Buysse een optie, het later Campo Santo genoemde kerkhof van Sint-Amandsberg wel. Haar graf vindt men in park C, graf 31b, rij 1, 12de graf.
Rosalie en Virginie waren al heel snel beroemde figuren in letterkundige kringen in Noord en Zuid.
Met hun gezamenlijk uitgegeven Gedichten (1870) lieten ze zich meteen opmerken in het Nederlandse literaire landschap. De realistische gedichten waren ongecompliceerd en erg beschrijvend van aard, af en toe met een sociale ondertoon. Via het maken van vertalingen van Nederduitse verhalen van Klaus Groth kwamen ze tot het schrijven van eigen novellen die ze ook samen uitbrachten: Novellen (1874), Nieuwe Novellen (1876).

Virginie Loveling

Na de dood van Rosalie publiceerde Virginie hoofdzakelijk romans. De polarisering tussen katholieken en liberalen diende als achtergrond  voor het combattief geëngageerde In onze Vlaamsche Gewesten (onder ps. W.G.E. Walter, 1877) en de schoolstrijdroman Sophie (1884). Met het zeer persoonlijk gekleurde reisverhaal Een winter in het Zuiderland (1890) verlegde ze de grenzen van dat genre en in latere romans schetste ze vooral vrouwenfiguren, analyseerde ze man-vrouwrelaties en bleef de moeilijke maar volgens haar mogelijke cohabitatie tussen liberalen of vrijzinnigen en katholieken een centraal thema. Belangrijke werken zijn o.m. Een dure eed (1892) waarvoor ze in 1895 de vijfjaarlijkse staatsprijs kreeg en De twistappel (1904). Ze kreeg van langsom meer aandacht voor erfelijke factoren en voor de ‘gruwzaamheid van de natuur’ en Een revolverschot (1911), een schitterend voorbeeld van pathologisch naturalisme, was een laat hoogtepunt in haar oeuvre. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ten slotte hield ze een lijvig dagboek bij.
Toen Virginie zich in Gent vestigde voegde zich bij haar literaire reputatie al snel die van een vrouw die ‘met mannenmoed’ voor haar mening uitkwam. Ze had vrienden, mannen en vrouwen, in Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Denemarken en Australië, waar ze in 1899 korte tijd verbleef, en met de globetrotter Reinhold Menzel, die ze op terugreis leerde kennen, had ze jarenlang een hoofdzakelijk epistolaire band.

V. Loveling en Gent

Virginie bleef in Nevele tot het overlijden van haar moeder op 14.12.1879. In oktober 1880, enkele maanden na haar naturalisatie tot Belg – net als haar vader had zij de Duitse nationaliteit – verhuisde ze naar de Gentse Ottogracht 8, in afwachting dat haar huis aan de Marnixstraat 18 klaar zou zijn. Ze koos voor een nieuwbouw in de buurt van de citadel want ze vond alle huurhuizen die ze bezocht duur en verschrikkelijk lelijk.
In deze periode raakte ook haar identiteit als auteur van In onze Vlaamsche gewesten bekend en dat was meteen aanleiding tot enkele liberale en vrijzinnige huldes, o.m. door het Willemsfonds. Op een  feestelijke algemene vergadering op 29.10.1882 in het Gentse Lakenmetershuis kreeg de schrijfster een borstbeeld en aansluitend was er een banket in het Hôtel Royal. Ze was rustig en imposant aanwezig op het 21ste Nederlandse Congres te Gent in 1891 en op 28.04.1912 werd ze gehuldigd. Niet minder dan 162 maatschappijen, liberale en katholieke, namen deel aan een volksoptocht die de schrijfster thuis ging afhalen en haar langs de belangrijkste straten van de stad naar het Stadhuis bracht waar ze een gouden gedenkpenning kreeg. Daarna was er een groot kunstfeest in de Nederlandse Schouwburg en een groots volksbanket in de zalen van het Posthotel aan de Kouter. Als afsluiting had het stadsbestuur gezorgd voor een concert op de Kouter. Virginies neef Paul Fredericq, die op haast alle manifestaties van zijn tijd aanwezig was, merkte op dat hij behalve de vieringen van Conscience en Benoit er geen enkele had meegemaakt die met het Gentse feest kon worden vergeleken.
Jaren voor haar dood kocht Virginie zich een graf. Op 13.01.1911 verwierf schreef ze een kelder van drij plaatsen langs den voornaamsten weg in de begraafplaats der Brugsche Poort. Ze ging er geregeld  langs en kon tot haar genoegen vaststellen dat de zerk verweerd raakte, de letters al wat moeilijker leesbaar werden.
Virginie sterft op 1.12.1923. Over de begrafenis op 5.12.1923 zijn de meningen verdeeld. Sommige bronnen hebben het over indrukwekkend, andere vinden de opkomst ontgoochelend. In ieder geval brachten twee detachementen de militaire eer en waren er nogal wat personaliteiten en kunstenaars aanwezig.
Met Virginie Loveling verdween de laatste van een generatie en de aandacht voor haar werk en persoon  nam af. Vooral onder impuls van prof A. Van Elslander kwam daar de laatste decennia weer verandering in. Op degelijke edities van haar werk is het echter nog wachten.
In Gent, net als in andere steden, werden de schrijfsters geëerd met een Gezusters Lovelingstraat.

Gentse werken

In 1907 en 1908 publiceerden Virginie en haar neef Cyriel Buysse onder het pseudoniem Louis Bonheyden in Groot-Nederland de hilarische korte roman Levensleer. Een aaneenschakeling van  schetsen waarin verschillende aspecten van de Gentse kleinburgerij de revue passeren. Het speelmeisje dat op een kamertje geplaatst wordt, dat uiteindelijk moet bevallen en wordt overgelaten aan de charitatieve diensten van de stad. De jongste zoon die met vrienden aan de rol gaat in een bordeel. Couleur locale meer dan veel, vooral in het taalgebruik: Gents dialect en een overvloed van Vlaams met Franse woorden, een in Vlaanderen blijkbaar erg verspreid koeterwaals. Satire en parodie. Vermakelijk. De parodie komt uiteraard pas volledig tot haar recht als men het Nederlands én het Frans goed beheerst en dat zegt ook wat over het beoogde publiek.

Gent is het decor van het dagboek dat Virginie Loveling van de eerste tot de laatste dag van de oorlog bijhield en waarin ze met de nauwgezetheid van de oorlogsverslaggever wellicht het beste relaas bracht van het leven in en rond de stad in deze periode. Ze noteerde wat ze zag en hoorde, streefde objectiviteit na, ging op zoek naar het nieuws: wrakken van neergestorte zeppelins, soldaten in lazaretten, de ellende van de arme buurten, de houding van de Vlamingen en de heisa rond de Von Bissing universiteit, de ontgraving van een massagraf om een vermiste officier een ceremoniële herbegrafenis te kunnen geven, dure dames die zichzelf vergaten met Duitse officieren, executies,… Groot nieuws en randnieuws naast een massa persoonlijke lotgevallen en dagelijkse problemen, haar Duitse vrienden en familieleden, bureaucratische botheid, de prijs van de aardappelen, de kalk in het meel, de opeisingen van paarden en metaal en een huiszoeking die haar zodanig trof dat ze er pas maanden later iets over durfde te noteren. Misschien niet meteen, maar vrij vlug wilde Virginie dit ‘verboden’ manuscript ook uitgeven en dat is ook te merken aan de stijl en structuur van het overgrote deel van de tekst en daardoor maakt In oorlogsnood (geëditeerd door L. Stynen en Sylvia Van Peteghem, KANTL 1999) ook integraal deel uit van haar oeuvre.

[Ludo Stynen]

Over V. Loveling: