terug naar index
Maeterlinck, Maurice

(Gent, 29.08.1862 - Nice, 06.05.1949)

Belgisch Franstalig dichter, toneelschrijver, prozaïst en essayist, vertegenwoordiger van het symbolisme in de literatuur. In 1911 kreeg hij – als enige Belg tot op onze dagen – de Nobelprijs voor literatuur. De jury kende hem deze prijs toe “uit waardering voor zijn veelzijdige literaire bedrijvigheid en in het bijzonder voor zijn dramatische werken die uitmunten door hun rijkdom aan verbeelding en poëtische kracht, en soms onder het mom van een sprookje, een diepe betekenis hebben waarbij zij tevens op een geheimzinnige wijze een beroep doen op de fantasie van de lezer of de toeschouwer”.
Tot zijn belangrijkste werken worden gerekend: Serres chaudes (dichtbundel, 1889), La princesse Maleine (toneel, 1889), het thans nog geregeld opgevoerde Pelléas et Mélisande (1892) dat door Claude Debussy werd getoonzet als opera (1902) en L’Oiseau bleu (toneel) dat in 1908 in Moskou werd gecreëerd.

M. Maeterlinck en Gent

Maurice Maeterlinck werd geboren in de Peperstraat als telg uit een welstellend gezin. Toen hij drie jaar was, namen zijn ouders hun intrek in een nieuw herenhuis aan de pas aangelegde Frère-Orbanlaan, vlakbij het kort voordien opgetrokken Zuidstation. Het huis werd in 1995 gesloopt om plaats te maken voor een flatgebouw (thans nr. 91/92).
Zijn ouders bezaten een landgoed in Oostakker, aan het kanaal Gent-Terneuzen. In 1873 bouwen zij er een landhuis waar zijn vader experimenteerde met druiven en perziken, bijen hield en bloemen teelde. Daar, in de nabijheid van het kanaal en de voorbij varende schepen, bracht de jonge Maurice zijn jeugd door en is de oorsprong te zoeken van de belangstelling voor thema’s die later in zijn werk een voorname plaats zouden innemen. Bij de verbreding van het kanaal in 1902 verdween het hele domein.
De kleine Maurice logeerde geregeld in het – thans nog bestaande – kasteel Rijvissche in Zwijnaarde dat eigendom was van zijn grootmoeder. In de Middeleeuwen was het een onderdeel van de verdedigingsgordel rond Gent en behoorde het bij de Sint-Pietersabdij. Later zou zijn somber Shakespeariaans toneelstuk, La princesse Maleine, zich afspelen in een onbepaalde tijd in een kasteel in Vlaanderen.
In zijn kleuterjaren liep hij school bij de Soeurs de Notre Dame van het Institut du Nouveau Bosch (Nieuwen-Bosch). In die “oordjesschool” was hij erg getroffen door een reproductie van Breugels De kindermoord te Bethlehem. Het inspireerde hem later voor zijn eerste prozastuk La massacre des Innocents (gepubliceerd in het tijdschrift La Pléiade).
In 1869 trok hij naar het Institut Central, een Franstalig privéschooltje tussen de torens van het Belfort en de Sint-Baafskathedraal, waar nu het Sint-Baafsplein is. Zelf noemde hij die school het “Institut Calamus”, naar de naam van de toenmalige directeur.
In 1874 werd hij met zijn broer Ernest ingeschreven bij de jezuïeten van het Sint-Barbaracollege in de Savaanstraat. Georges Rodenbach en Emile Verhaeren waren er kort voordien afgestudeerd. Grégoire Le Roy en Charles van Lerberghe waren er zijn medestudenten. Daar bleek al zijn aanleg voor talen: het Frans, het Engels, het Duits en de klassieke talen – en ontdekte hij zijn literaire roeping. Hij schreef er zijn eerste (religieuze) verzen. De angst voor de dood en de afschuw voor de zonde van het vlees die hem daar werden ingeprent, wogen er zwaar in door. Dàt, maar ook de drukkende atmosfeer van het Gent uit die dagen, beïnvloedde eveneens zijn eerste toneelstukken (die alle verloren gingen).
Vanaf 1881 studeerde hij Rechten aan de Gentse universiteit waar hij doctoreerde in 1885. Onder voorwendsel zich in het pleiten te bekwamen, trok hij samen met Grégoire Le Roy naar Parijs, waar hij kennis maakte met de symbolisten en er in 1886 mede het tijdschrift La Pléiade stichtte. Na een kortstondige carrière als advocaat (hij pleitte enkele malen in Gent) hield hij die roeping voor bekeken en wijdde hij zich geheel aan de literatuur. Zijn “Gentse periode” is dan voorbij. Als gevolg van zijn relatie met de Franse actrice Georgette Leblanc,verliet hij in 1897 Gent definitief en vestigde hij zich in Parijs. In de volgende jaren zouden ze samen vaak verhuizen. Twee jaar voor zijn dood nam hij – inmiddels gehuwd met de actrice Renée Dahon – zijn intrek in een kasteel nabij Nice, kasteel dat hij naar één van zijn gedichten “Orlamonde” doopte. Daar overleed hij. Bij het slopen van het kasteel werd zijn as gered door Marguerite Yourcenar. Zijn urne werd nadien, samen met een plaket, ingemetseld in een muur van het naar hem genoemde luxe-hotel op dezelfde plaats. 
Zijn eerste dichtbundel, Serres chaudes, werd geïllustreerd door George Minne en gedrukt in Gent, bij Louis van Melle. In elk van deze gedichten – zou Karel van de Woestijne getuigen – is een hoekje van de stad Gent te situeren. De titel verwees allicht naar de vele serres die toen in Gent (stad van planten- en vooral bloementeelt bestonden. In het zelfde jaar verzorgde dezelfde drukker ook de eerste beperkte oplage van La Princesse Maleine (eveneens geïllustreerd door George Minne). 
Tijdens de winter van 1890-1891 maakte de sportieve Maeterlinck, schaatsend op de Drongense meersen, kennis met Cyriel Buysse. Het zou een levenslange vriendschap blijven. Buysse schreef in zijn Per auto hoe Maeterlinck soms het Gentse dialect sprak met zijn vrienden. Maeterlinck kwam geregeld samen met Cyriel Buysse en een aantal schilders, in Café Albion (1902-1907, gelegen aan de Brabantdam nr. 29, een hoekhuis met de Vlaanderenstraat).
Zijn Gentse jaren hebben ook een invloed gehad op zijn wetenschappelijk geïnspireerd werk. Zo liggen zijn jeugdervaringen (zijn omgang met bijen en bloemen) zonder twijfel mede aan de basis van zijn La vie des abeilles (1901), L’Intelligence des fleurs (1907) en La vie des fourmis (1930). In zijn Douze chansons (1896), later Quinze chansons (1900) klinken dan weer de volksliederen door die hij in zijn jeugdjaren had horen zingen. Zijn meest Gentse werken zijn echter Serres chaudes en Bulles bleues. Dit laatste werd geschreven in 1948, op het einde van zijn leven. Het zijn herinneringen aan zijn Gentse jeugd.

Gents eerbetoon

Terwijl zijn werk al rond de eeuwwisseling wereldwijd faam genoot, zijn toneelstukken mateloos populair waren in Parijs en zijn werk werd vertaald in twintig talen, stond de katholieke wereld eerder afwijzend tegenover hem: bij decreet van 26 januari 1914 werd zijn gezamenlijk werk (opera omnia) op de indexlijst geplaatst. In Gent werd Maeterlinck nooit populair. Hoezeer hij ook zelf van zijn geboortestad hield, die liefde bleef onbeantwoord.
Wel kreeg hij nog tijdens zijn leven, in 1932, een straatnaam in de buurt van de Sterre. Symbolisch komt “zijn” straat daar op een rond punt bijeen met de Cyriel Buysse- en de Karel van de Woestijnestraat.
Eveneens in 1932 bouwde architect Geo Henderick in de Patijntjesstraat een dubbelwoning in villastijl (huisnummers 10/12). Op een basreliëf prijkt een blauwe vogel met gespreide vleugels: Maeterlincks L'Oiseau bleu. Aan de zijkanten zijn in baksteen de namen Tyltyl en Mytyl aangebracht, het zijn de kinderen van houthakkers die in het verhaal, door het licht geleid, op zoek gaan naar de Blauwe Vogel.
Stilaan zou Gent aan haar beroemde zoon meer aandacht schenken. Belangrijk was in dit opzicht de Fondation/Stichting Maurice Maeterlinck die in 1954, onder impuls van professor R.O.J. Van Nuffel, in nauwe samenwerking met het stadsbestuur werd opgericht. Deze Stichting, met zetel te Gent, wil de nagedachtenis van de auteur in herinnering houden (met documenten over hem en over zijn Gentse vrienden) en de studie van zijn werk bevorderen. Zij publiceert sedert 1955 essays over de auteur in (eerder onregelmatig verschijnende) Annales.
In 1962, naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag, liet het stadsbestuur een bronzen plaat aanbrengen aan zijn geboortehuis in de Peperstraat. Het gebouw werd nadien grotendeels gesloopt en heropgebouwd. Thans siert de plaket er de voorgevel van de Christelijke Mutualiteit. 
Op 29 januari 1976 werd in het voormalige hotel Arnold Vander Haeghen, in de Veldstraat nr. 82 het Kabinet Maeterlinck officieel opengesteld. Men kan er de (uit Orlamonde overgebrachte) gereconstrueerde werkkamer en de bibliotheek van de auteur bewonderen: het authentiek meubilair en ca. 4300 boeken. Een omvangrijk archief met handschriften, brieven, iconografisch materiaal en foto’s biedt er stof voor studie.
Tenslotte werden in Gent enkele tentoonstellingen aan hem gewijd, steeds in het Museum Arnold vander Haeghen:

[André Capiteyn en Frans Heymans]

Over M. Maeterlinck: