terug naar index
MELEN, Hans

(Deinze, 08.01.1914 – Deinze, 19.03.1988)

Pseudoniem van Frank van Doorne. Vlaams auteur van poëzie en van monografieën over voornamelijk Oost-Vlaamse  dichters, ook vertaler. Hij was beroepsmatig taalleraar in meerdere scholen, doceerde in Kortrijk ook kunstgeschiedenis en wijsbegeerte en bleek ook een begaafd musicus. Melen was onder meer lid van de Scriptores Catholici en ondervoorzitter van de Vereniging van Katholieke Oost-Vlaamse Schrijvers. Hij was vanaf 1965 redacteur van het tijdschrift Vlaanderen.

Melen was een veelzijdige, verfijnde en intellectuele persoonlijkheid was, die fijngevoelige maar trefzekere gedichten schreef over liefde, doorleefde natuur en muziek. Zo opvallend was zijn aandacht voor ritme en metriek dat criticus Marcel Brauns Melens poëzie “klassiek musicerende dichtkunst” noemde.
Hij publiceerde zijn eerste twee dichtbundels samen met Amedee Suenaert [zie aldaar], onder meer Schemerlichten (1952). Daarna volgden nog een zevental bundels, waaronder Mijn drang naar u (1956), Het licht der stilte (1964, bij Colibrant in Drongen) en Tijd in eeuwigheid (1979). Hij werkte mee aan tientallen kranten en bloemlezingen, onder meer in de reeksen Leievaart en Poëtisch gastmaal (beide door VKOS uitgegeven). Zijn poëzie werd vertaald in het Frans en het Portugees en meerdere keren getoonzet.
Melen vertaalde zelf ook klassieke werken, o.m. van Sophocles en Plato. Hij wijdde essays aan muziek en kunst, aan onderwijsproblemen en aan de dichters Miel Kersten, Berten Engels en Karel van de Woestijne.
Hij ontving zowel in 1961 als 1962 de Poëzieprijs van Deurle.

H. Melen en Gent

Na de Lagere School volgde Van Doorne tot 1930 de opleiding Latijn-Grieks in het Koninklijk Atheneum Gent en muziek (piano) aan het Gentse Conservatorium. In 1936 studeerde hij aan de Rijksuniversiteit Gent af als klassiek filoloog. In 1938 doceerde hij zedenleer en was hij studiemeester in het Gentse atheneum.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij (allicht met zijn ouders) naar het zuiden van Frankrijk. Na hun terugkeer bleven ze “hangen” in het Gentse, meer bepaald in Drongen aan de Leie, waar de dichter zich de rest van zijn leven “thuis” zou voelen, alhoewel hij de wereld “’t allen kant rusteloos” zou blijven verkennen.

Melen was een groot bewonderaar van Karel van de Woestijne en droeg zijn cyclus “Ik ben de vreemdeling die naar den herfst moet gaan”, opgenomen in de bloemlezing Tijd in eeuwigheid, aan hem op. Die verzamelbundel werd door de VKOS gepubliceerd ter gelegenheid van Melens vijfenzestigste verjaardag en huldiging in Gent. Het boek bevat ook een reeks “Eeuwige muziek”, geïnspireerd door zijn lievelingscomponisten.
Belangrijker voor ons zijn de gedichten die integraal aan Gent gewijd zijn, onder meer aan de Leie, het Geraard de Duivelsteen, de Rabottorens, de Sint-Machariuswijk, de Gentse kaaien en stadstuinen. Die gedichten ontstonden niet enkel vanuit “de weemoedsgreep van het Gentse stadsbeeld”, zoals Marcel Brauns het formuleerde, maar ook uit een oprecht verzet tegen de teloorgang van enkele markante gebouwen. Zo treffen we in zijn werk verzen aan tegen de sloop van “Het oude universiteitsgebouw” (typoscript gedateerd 1963) en van enkele bekende neoklassieke herenhuizen, met name in de “Sleepstraat nr. 77” (typoscript eind 1977- begin 1978); bedoeld is de woning, annex atelier van Jean-Baptiste van Rysselberghe (aannemer voor de bouw van het Gentse Museum voor Schone Kunsten) en later woonhuis van de beroemde neo-impressionistische schilder Théo van Rysselberghe.
Uit 1976 is een gedicht bekend over het huis van toenmalig politicus Theo Lefèvre in de Savaanstraat. Ook in de jaren 1980 wijdde Hans Melen nog enkele keren een gedicht aan specifieke Gentse locaties, zoals de Kouter, de Recolettenlei en de Achtersikkel (bij het Sint-Baafsplein).

Enkele huldegedichten aan tijdgenoot en vriend Johan Daisne, in handschrift, worden bewaard in de Stedelijke Openbare Bibliotheek Gent (afdeling iconografie). Het graf van Frank van Doorne bevindt zich op het Campo Santo in Sint-Amandsberg (plein C, rij 6, graf 10) en is voorzien van een Grieks opschrift: “polloo to fronein eudaimonias prooton huparchei” (dieper dan denken over het geluk: dien het/de hoogste).

[Frans Heymans & Jean-Paul den Haerynck]

Over H. Melen

• [Anoniem]: Stervende Stenen (Uit de wereld van de poëzie), in: De Gentenaar,
  05.06.1974

• Marcel Brauns: Beschouwingen over het dichterschap van Hans Melen, in: Hans Melen:
  Tijd in eeuwigheid (1979), p. 3-6 (incl. hommagegedicht door Marcel Brauns)

• Frans de Vleeschouwer: In memoriam Frank van Doorne (Hans Melen), in: Vlaanderen,
  jg. 37 (1988), p.181

• Marcel Brauns: Hans Melen, in: Oost-Vlaamse literaire monografieën, dl. 9 (1989),
  p. 65-96, meer specifiek over de Gentse stadsgedichten p. 86-91

• Melen, Hans, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, 2009, dl. 19, p. 342-346