terug naar index
Mortier, Erwin

(Gent, 28.11.1965 - ) 

Prozaïst, dichter, columnist. In 1999 trad hij als schrijver op de voorgrond met de roman Marcel, die algemeen als een belangwekkend debuut onthaald werd en onder andere met de Nederlandse en Vlaamse debutantenprijzen, de Van der Hoogtprijs en de Gerard Walschapprijs bekroond werd. Met zijn volgende romans, Mijn Tweede Huid (2000) en Sluitertijd (2002), bevestigde hij zijn literaire reputatie.
Intussen manifesteerde Mortier zich ook als dichter. Zijn debuutbundel Vergeten Licht (2001) werd bekroond met de Cees Buddingh’prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut van dat jaar. Nieuw poëtisch werk volgde met de dichtbundels Uit één vinger valt men niet (2005) en Voor de stad en de wereld (2006). Beide bundels bevatten verzen die hij schreef als Gentse stadsdichter.
Daarnaast laat Mortier zich ook opmerken als schrijver van commentaarstukken die de satire en de polemiek niet schuwen.
Met schrijfopdrachten voor onder meer het Gentse theaterhuis Victoria verkende hij ook al de mogelijkheden van de toneelliteratuur. 

E. Mortier en Gent 

Hoewel geboren in Gent, groeide hij op in het landelijke Hansbeke (Nevele), dat met namen als Cyriel Buysse, de gezusters Loveling en Monika van Paemel literair vruchtbare grond blijkt. Geografisch, maar ook cultuurhistorisch situeren Mortiers verhalen zich duidelijk in het Leieland rond Gent, maar ook cultuurhistorisch verwijzen ze naar deze streek als literair landschap, zoals dat in de geschriften van de eerder genoemde auteurs en andere literatoren opgeroepen wordt.
In zijn eerste romans neemt hij het spanningsveld tussen stad en platteland over, dat bij veel van zijn voorgangers een rol speelt, maar hij zet het ook naar zijn hand  Voor zijn personages staat de stad symbool voor het volwassen worden; het is een omgeving vol onzekerheid die nochtans ook mogelijkheden tot persoonlijke groei en ontwikkeling biedt.
Het spanningsveld tussen het stedelijke en het rurale zit ook in het diepere niveau van Mortiers schriftuur, naast een verfijnde stijl  komt in zijn werk ook een naturalistische donkerte voor, met hier en daar zin voor het burleske die doet denken aan het prozawerk van Hugo Claus. 

Mortier gaf herhaaldelijk aan dat zijn oeuvre altijd ook een reflectie zal zijn op de arbeid van zijn literaire voorgangers, de traditie en de canon, de vaste leerstellingen. Hij heeft een afkeer van onophoudelijke verandering, wat hij onder meer in zijn columns een “vernieuwingsdwangneurose” noemt. Vernieuwing en traditie zijn voor hem complementair. Als dichter verzet hij zich tegen elke stroming of dogmatische opvatting – d.i. het zonder redeneren aanvaarden van leerstellingen – over de poëtische arbeid. Alleen het vrij gebruiken van de onuitputtelijke mogelijkheden van de taal kan ons behoeden voor verstarring, intellectueel én existentieel, wat onze verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan betreft.    

Naar aanleiding van het verschijnen van zijn eerste romans liet Mortier weten dat in zijn latere werk het stedelijke een eigen plaats zou krijgen, wat meteen bleek toen in 2005 de dichtbundel Uit één vinger valt men niet verscheen. Aanleiding voor deze bundel was een reeks foto’s genomen door de Gentse fotografe Lieve Blancquaert in het klooster der minderbroeders aan de Gentse Oude Houtlei, kort nadat de laatste geestelijken het pand verlaten hadden. De foto’s waren voor hem een bron van inspiratie. Het verlaten klooster staat symbool voor een keerpunt in onze cultuur: de overgang van een op religie en traditie gestoelde mono-culturele samenleving naar een seculiere (wereldlijke), interculturele wereld, geconcentreerd rond de stad. 

E. Mortier als Gentse stadsdichter 2005 – 2006 

Mortiers bekommernissen als dichter/schrijver blijken ook duidelijk uit het poëtische werk dat hij schreef als Gentse stadsdichter voor de periode 2005-2006.
Het vers Patrologie/Vaderleer kreeg op zijn vraag een vaste plaats in De Zwarte Doos, de nieuwe vestiging van het Gentse Stadsarchief en de dienst Archeologie. Het gedicht Babel-Lascaux of de Heilige Hieronymus in zijn studio werd aangebracht in de Gentse stadsbibliotheek aan het Zuid. Een derde vers, Onze magazijnen/Depot voor verboden voorwerpen schonk hij aan het STAM, het Stadsmuseum op de site van het oude Bijloke-hospitaal.
Met deze drie verzen, die integraal deel uitmaken van zijn bundel Uit één vinger valt men niet, toont Mortier zijn aandacht voor het bewaren en bevragen van ons culturele erfgoed. De gedichten trekken een “poëtische boog” over die plaatsen in de stad Gent waar een vorm van erfgoed bewaard wordt:  archeologische (door de mens gemaakte) artefacten en archiefstukken in De Zwarte Doos, verhalen in de stedelijke bibliotheken evenals objecten en verhalen die ten slotte in de musea samenkomen, in dit geval het STAM. Mortier hecht veel belang aan dergelijke culturele instellingen. Voor hij als een gevestigd auteur bekend werd, werkte hij tien jaar lang als wetenschappelijk medewerker in het Gentse Museum Dr. Guislain voor de geschiedenis van de psychiatrie. In zijn museale publicaties wijst hij erop dat musea plaatsen moeten zijn waar de levensgeschiedenis van de mensheid wordt gepresenteerd in al haar aspecten en dimensies. Geschiedenis is voor hem niet alleen maar een wetenschappelijk discipline maar ook een existentieel gegeven, waarin taal en verhaal een centrale rol vervullen. 

In de verzen die Mortier in 2006 als stadsdichter schreef, verbindt hij aan de historische en artistieke dimensies van zijn werk ook een impliciete, heel concrete politieke lading. De dichtbundel Voor de stad en de wereld bevat het vers Algemene Mobilisatie, dat hij schonk aan de Stad Gent ter gelegenheid van de dag van de extreme armoede. Het vers evoceert armoede als een aanslag op de menselijke waardigheid.
Het lange gedicht Mit Brennender Sorge schonk hij namens Gent aan Antwerpen, nadat in die stad een aantal racistische moorden werden gepleegd. Het aanroept de taal en de poëzie in een lange smeekbede of litanie om de mens steeds weer door zijn zelfopgelegde kleinerende definities heen te laten breken: “Leg ons niet vast, vries ons niet dicht in de harde knarsende wereld”, schrijft hij.  

De politieke functie van de poëzie schuilt in haar vermogen om van een taal en een gemeenschap “de zieke en oeverloze memorie” te zijn, wars van het woord van de macht en de demagogie.
In het drieledige gedicht Politique des Poètes ten slotte, waarmee Mortier van twee jaar stadsdichterschap afscheid nam, wijst hij de dichters op de democratie van de kunst als dusdanig. Het is niet aan de dichters om remedies voor maatschappelijke problemen te kennen en aan te reiken, maar om lezers en schrijvers onderdak te verlenen in de egalitaire, naar maatschappelijke gelijkheid strevende, gemeenschap die proza en poëzie in het leven roepen wanneer zij onder de mensen circuleren. 

[Bart Doucet]

Over E. Mortier: