terug naar index
Murez, Jos

(Bevere-Oudenaarde, 13.02.1927 - Gent, 01.11.1996)

Onderwijzer, journalist, dichter, romanschrijver en essayist.
Van opleiding was hij regent Germaanse talen. Aanvankelijk was hij leraar in verschillende scholen van het Middelbaar Onderwijs. In 1954 werd hij redacteur bij de Gentse socialistische krant Vooruit. Daarna (juni 1964-juni 1966) werkte hij als bediende bij een Brussels kredietkantoor. Nadien werd hij opnieuw redacteur bij Vooruit waar hij eind 1971 Louis Paul Boon opvolgde als leider van de rubriek Geestesleven. Na het verdwijnen van Vooruit (eind 1978) werkte hij nog een tweetal jaren als gewoon redacteur bij De Morgen tot hij daar begin 1981 werd ontslagen met “gouden handdruk”. Van 1983 tot aan zijn pensionering was hij redacteur bij de Gentse Streekkrant.
Van 1959 tot 1962 was hij ook correspondent van La Wallonie (voor berichtgeving uit Gent en omgeving) 

Murez publiceerde 11 dichtbundels; 12 prozaboeken en romans en 21 essays en monografieën over plastische kunstenaars. Bovendien schreef hij tv-typoscripten en vertaalde hij twee lijvige romans uit het Frans.
Hij werkte mee aan talrijke tijdschriften. In 1954 was hij stichter en bezieler van Het Antenneke (zie aldaar), waarvan geen vernieuwing is uitgegaan. Wellicht beoogde hij zelf een herleving van ‘t Fonteintje – let op de twee verkleinwoorden! – maar dat is op verre na niet gebeurd. In Het Antenneke schreef hij ook onder het pseudiem Henri Dubois. 

Zoals hoger aangegeven, was hij geen geboren Gentenaar. In 1949 kwam hij definitief naar deze stad waar hij aanvankelijk aan de Grauwpoort woonde. Het jaar nadien (1950) verhuisde hij naar de Zalmstraat. Een goed half jaar later (1951) vond men hem in het Ingelandgat en datzelfde jaar nog in de Wilde Roosstraat. In 1953 trok hij naar de Mussenstraat en later naar de Sportstraat (1962), de Vlaanderenstraat (1963), de Verenigde Natieslaan (1967) en tenslotte (1976) de Nieuwbrugkaai.  

De dichter

In 1951 al publiceerde hij zijn eerste dichtbundel Amor tui. Zijn gedichten stonden, ondanks een universeel exentialistisch moralisme, nog sterk onder de invloed van Karel van de Woestijne en Bert Decorte terwijl de zeggingskracht vaak minder geslaagd was. Pas met zijn vijfde bundel, Diafragma (1956), leek hij zijn eigen stem te hebben gevonden en wist hij zijn problematiek op een authentieke wijze naar voren te brengen. Dertien jaar later, in 1969, verscheen Antidotum, de eerste van zijn tweede reeks dichtbundels. Hier treft men een afwisseling aan van humor, anekdotische poëzie, uitvallen tegen de maatschappij en de problematiek van de menselijke verhoudingen, thema’s die hij vanaf het midden van de jaren zeventig in zijn romans zou uitwerken. Ook in de volgende bundels, tot het postuum uitgegeven Retrogradus (1997), is de bittere ondertoon nooit ver weg. 

De prozaïst

In 1967 kreeg hij de provinciale prijs van Oost-Vlaanderen voor letterkunde voor het manuscript van zijn debuutroman Tantalus (na herwerking in 1981 gepubliceerd als De steen der goden). Van zijn proza is vooral de autobiografische, matrimoniale romantrilogie te onthouden, met Weekends zonder woorden (1974), Het bad van de waterman (1975) en De Brusselse bijzit (1976). Het is “de kroniek van een familiale schipbreuk”, aldus Paul van Aken.
Men verweet hem dat hij te weinig afstand wist te scheppen tussen auteur en onderwerp. Nochtans werden die romans in Vlaanderen en in Nederland positief tot enthousiast onthaald. Zijn Winterlanden (1978, impressionistische schetsen en persoonlijke interpretaties bij de winterlandschappen van Gaston Bogaert), De Zwevende galblaas (1979) en Schampere verhalen (1986) zijn eigen belevenissen en maatschappijkritiek, geschreven in een gedoseerde ironische stijl. 

De essayist

De meest authentieke Murez vindt men wellicht in zijn kritisch en essayistisch werk over plastische kunstenaars. Die belangstelling bleek reeds in Het Antenneke, waarin de plastische kunsten evenveel aandacht kregen als de literatuur. Zijn voorkeur voor het surrealisme en in het bijzonder voor het werk van Bert de Clerck, Aglane de Nivelles en Tos Trotteyn, was zeer uitgesproken, o.m. in Universeel surrealisme (1972).
Tenslotte was hij ook een bekwaam en gewaardeerd spreker bij openingen van tentoonstellingen en retrospectieven. Hij ontwikkelde er een persoonlijke visie op het werk van de behandelde schilders. Zijn toespraken en zijn essays lagen in het verlengde van zijn eigen creatief werk. 

Gentse werken

Een groot deel van Murez’ scheppend werk is autobiografisch. Het getuigt dikwijls van een (vaak erg verbitterd) maatschappelijk engagement.
Gent komt in beeld in een aantal van zijn scheppende werken, soms de stad als dusdanig maar vaker het culturele leven.
Het openingsnummer van Het Antenneke (jrg.1, nr.1, sept. 1954) bevatte  een weinig vleiend gedicht van hem over de stad (Gent 1954).
In Het bad van de waterman beschrijft kort hij enkele wandelingen in de binnenstad;  Adagio voor Jenny is gesitueerd in het Gentse kunstenaarsmilieu.
De progressieven
(1989), “een als literair bedoeld werk” (aldus  p. 124), is een kroniek over Murez’ tijd bij Vooruit. De auteur levert daarin scherpe kritiek, vooral op de leiding van de Gentse krant, terwijl ook een aantal (veelal socialistische) politieke figuren over de hekel worden gehaald. Tegelijk noteert de auteur talrijke gegevens over de rubriek Geestesleven, over collega-schrijvers bij de krant en over andere Gentse auteurs, over Leesclub Boekuil en in het algemeen over het drukke, vooral literaire leven in deze stad vanaf de jaren’50. 

[Daniël van Ryssel]

Over J. Murez: