terug naar index
Mussche, Achiel

(Gent, 12.8.1896 - Gent, 30.8.1974)  

Dichter en auteur van sociale romans, een toneelstuk en een aantal werken voor het onderwijs, kunstcriticus, overtuigd flamingant en humanistisch socialist.
De sociale ellende die hij “van huize uit” kende, zou hem voor het leven tekenen en zijn werk in belangrijke mate beïnvloeden. In interviews noemde hij zichzelf wel eens “een sjofel kind van grommende fabrieken en dokken, een arme bloem van de straat”.

Hij werd geboren in de Gentse Oostakkerstraat, als zoon van een huisschilder en een spinster, maar in 1898 verhuisden zijn ouders naar de Karperstraat, te midden van de zogenaamde “rode cité” nabij de Vlaamse Kaai. Tot zijn 22ste zou hij daar, in of nabij zijn geboortewijk, blijven wonen. Enkele maanden nadat zij in de Karperstraat aanbelandden, trokken zij naar de Sint-Jozefstraat maar in 1901, vanaf zijn 5de jaar, keerden zij terug naar de Karperstraat. In 1915, rond zijn 19de jaar, verhuisde hij naar de nabijgelegen Snoekstraat en in 1918 koos hij voor de Lange Kazernenstraat. Pas op zijn 23ste jaar, in 1919, vestigde hij zich in de Sint-Lievensstraat, nabij de Lange Violettenstraat.  

Op 14-jarige leeftijd verliet hij de school om te gaan werken in het exportbedrijf De Baerdemaecker in het Gentse havengebied maar vanaf 1911 mocht hij van zijn ouders in de Gentse Normaalschool studeren voor onderwijzer. Met zijn studiegenoten, o.m. Raymond Herreman, Karel Leroux en Maurice Roelants, gaf hij er het (handgeschreven) letterkundig tijdschrift Moderne Kunst uit. In 1915 behaalde hij het diploma van onderwijzer en in 1918 dat van regent.   

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij leraar aan een stadsschool. Als overtuigd Vlaming – die niet achter Vlaamse leeuwenvlaggen liep – zag hij de taalstrijd als een sociaal verzet tegen de franskiljonse bourgeoisie. Gedreven enerzijds door zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid en anderzijds door zijn Vlaamsgezindheid, verzeilde hij in kringen van het activisme. Gevolg: na de oorlog werd zijn “activistisch” regentendiploma nietig verklaard en werd hij bovendien ontslagen als onderwijzer.
In 1922 kreeg hij amnestie en werd hij leraar aan de gemeentelijke lagere school te Ledeberg. Hij verhuisde dan, in 1923, naar de Hundelgemsesteenweg in Ledeberg.  

Inmiddels was hij (met o.m. Wies Moens en Raymond Herreman) redacteur van Ons Vaderland, dagblad van de aanvankelijk (tot 1921) links-gerichte Frontpartij, en nadien (met Joris van Severen) medestichter van het tijdschrift Ter Waarheid. In 1923, toen Van Severen de Frontpartij een fascistische richting gaf, verliet hij de partij én de redactie van Ter Waarheid.
In het vooruitzicht van zijn huwelijk, in 1925, was hij verhuisd naar de Korte Dagsteeg.  

Van 1928 (en tot 1948) was hij leraar aan de Rijksnormaalschool in de Ledeganckstraat te Gent. Tegelijk werkte hij vanaf 1928 voor het Gentse dagblad Vooruit, vooral met literaire bijdragen. Hij verhuisde dan naar de Maria van Bourgondiëstraat (in 1928), vervolgens naar de Frans Spaestraat (in 1936) en twee jaar later naar Sint-Martens-Latem.  

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan de leiding van het Gentse verzet. Op het nippertje ontsnapt aan de gestapo, dook hij in 1944 onder in het preventorium te Astene (waar hij werkte aan zijn later werk, Aan de voet van het Belfort).  

Vanaf 1948 tot aan zijn pensionering was hij inspecteur Nederlands voor het Normaalonderwijs. Wellicht omwille van zijn vele verplaatsingen, koos hij voor een woning in de Groot-Brittanniëlaan, nabij het Sint-Pietersstation.  

Na het overlijden van August Vermeylen in 1945, was hij medestichter van het August Vermeylenfonds (waarvan hij tot 1966 voorzitter was). Van 1945 tot 1971 was hij redactielid van het Nieuw Vlaams tijdschrift. In 1971 nam hij ontslag uit deze redactie uit protest tegen het opnemen van Jef Geeraerts’ Zevende brief rondom liefde en dood waarin de 1 mei-stoet fascistoïde werd genoemd en waarin repressietoestanden werden verdraaid. In 1966 werd hij lid van de toenmalige Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde én voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen.
In 1961, rond de tijd van zijn pensionering, vestigde hij zich in een appartement in de Patijntjesstraat. 

Op professioneel gebied publiceerde hij een aantal  handboeken voor het onderwijs, over woordenschat, uitspraakleer en taal- en stijlstudie. Zijn poëzie was vooral gekenmerkt door zelfbezinning. Aanvankelijk waren zijn gedichten verwant aan het humanitair expressionisme. In 1927 publiceerde hij de bundel De twee vaderlanden (1927); zijn “vaderlanden” daarin waren het aardse (het sociale dat hem zou blijven bewegen) en het  hemelse (religieuze). Voor deze bundel kreeg hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie en de August Beernaert-prijs (periode 1926-1927) van de KVATL. Andere dichtbundels zijn Koraal van den dood (1938) en Langzaam adieu (1961). Zijn toneelstuk Christoffel Marlowe, of Er is een duivel te veel  (1954) werd bekroond met prijs van de Vlaamse provincies. In 1964 bracht hij een moderne prozabewerking van Reinaert de Vos.
Naast essays over de naturalistische romanschrijver Cyriel Buysse (1929), de socialistische dichter Herman Gorter  (1953) en zijn portret van Jules de Bruycker, Gent en zijn etser-teekenaar De Bruycker (1936), maakte hij vooral naam met zijn sociaal fresco Aan de voet van het Belfort (1950) en met Gedenksteen voor Rosa (1961), roman over de in 1919 vermoorde Pools-Duitse marxistische politica en filosofe Rosa Luxemburg. 

Gentse werken 

Gent en zijn etser-tekenaar De Bruycker is zowel een met gloed geschreven ode aan zijn geboortestad als een essay over zijn zielsverwant, de etser, uitbeelder van Gent en zijn typische straattaferelen.   

Aan de voet van het Belfort is Mussches meesterwerk, zijn “opus magnus”. Het is een indrukwekkend, met hartstocht geschreven sociaal fresco van het in heel Europa onmenselijk uitgebuite textielproletariaat, van de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw. De Vlaamse, en in het bijzonder de Gentse wevers staan in dit boek symbool voor de kapitalistische uitbuiting van de loonslaven. Het verzet tegen die sociale ellende werd eeuwenlang neergeslagen tot het opkomende socialisme, “gelouterd met bloed” en als “een rode klomp van hartstocht en durf” de strijd organiseerde. Mussche wist waarover hij schreef: in zijn jeugd had hij de armoede, de verpaupering van het werkvolk in de steegjes en de beluiken aan den lijve ondervonden – en hij had de geschiedenis van het proletariaat jarenlang bestudeerd. Hij droeg dit boek op aan zijn moeder (spinster, “ ’t laagste van ’t laagste in de rangorde van het textielwerk”) en aan Edward Anseele (die hem ooit stimuleerde om dit boek te schrijven). 

Postuum Gents eerbetoon 

In 1977 werd in Ledeberg een toneelgroep “Toneelstudio Achilles Mussche” opgericht.
In februari 1984 herdacht de Gentse Vermeylenkring hem met een academische zitting in de lokalen van de toenmalige A.S.L.K. in de Korte Meer en met een tentoonstelling over zijn leven en zijn werk in het Museum A. vander Haeghen in de Veldstraat.
Vertegenwoordigers van verschillende Vlaamse culturele sectoren in het hoofdbestuur van het Vermeylenfonds richtten in 1985 een Studiecentrum Achilles Mussche op.
De vroegere Mussenstraat (aan de “achterzijde” van de spoorweg, vanaf de Kortrijksesteenweg richting Antwerpen) werd door het stadsbestuur omgedoopt tot Achilles Musschestraat.
Op 4 februari 1984 werd door het August Vermeylenfonds Gent een Achilles Mussche-herdenking georganiseerd met een academische zitting in de Korte Meer en een tentoonstelling in het Museum Vander Haeghen. Tevens werd dan een brochure over de auteur uitgegeven (zie hierna).   
De Stedelijke Openbare Bibliotheek aan het Zuid noemde haar conferentiezaal naar hem. 

[Frans Heymans]

Over A. Mussche: