terug naar index
Rens, Frans

(Geraardsbergen, 13.02.1805 - Gent, 19.12.1874) 

Autodidact, literator, beroepshalve ambtenaar (bij de belastingen: vanaf 1843 controleur der waarborgen op goud en zilver) en vanaf 1860 ook inspecteur van het lager onderwijs voor het kanton Lokeren.
Op literair gebied legde hij zich vanaf 1827 toe op de dichtkunst. Hij publiceerde het lofdicht Boudewijn de IJzeren (1837, integraal opgenomen op het internet, zie http://dbnl.org/tekst/will028belg01_01/will028belg01_01_0021.htm), de bundel Gedichten (1839) en Bladeren uit den vreemde (1855). Dit laatste bevat zijn Nederlandse vertalingen van Duitse, Engelse en Franse balladen, legenden en romances.
Voorts nam hij, met wisselend succes, herhaaldelijk deel aan de tot het midden van de 19de eeuw erg populaire zgn. “prijskaarten” (dichtwedstrijden).  

F. Rens en Gent 

In augustus 1832 vestigde hij zich, komende van Eeklo, in de Gentse Sint-Margrietstraat. Van daar verhuisde hij in 1847 naar de Plotersgracht en vervolgens naar de Sint-Jorisstraat (1859-), de Gildestraat (1869-) en uiteindelijk naar de Kleine Dok (1872-). 

Zijn verdienste lag niet zozeer in het eigen scheppend literaire werk, wél in zijn opmerkelijk bedrijvige medewerking aan (voornamelijk Gentse) verenigingen en tijdschriften.
In 1833-1834 publiceerde hij  proza en poëzie in het tijdschrift Nederduitsche letteroefeningen, het eerste Vlaamse letterkundig tijdschrift na de Belgische Revolutie. Met Frans de Vos was hij stichter en medewerker van het Nederduitsch letterkundig jaarboekje (1834-1875); vanaf 1836 (en tot aan zijn dood) nam hij de zorg daarvoor alleen op zich. Even belangrijk was hij voor het tijdschrift De eendragt (1846-1879) dat hij samen met o.m. Ferdinand Augustijn Snellaert, Jacob F. Heremans en Prudens van Duyse stichtte en waarvan hij (weer tot aan zijn overlijden) de sterkhoudende hoofdopsteller was. Voorts werkte hij mee aan de Bydragen der Gazette van Gend (1836-1839), het Belgisch museum (1837-1846), het Kunst- en letterblad (1840-1845, de feitelijke voortzetting van de Bijdragen... ), Het Taelverbond (Antwerpen, 1845-1852) én aan Vlaemsch België (Brussel, 1844, krant).  

Wat zijn aandeel in verenigingen betreft: samen met o.m. Snellaert stichtte hij De Tael is Gantsch het Volk (1836- ) waarvan hij (andermaal tot zijn dood) voorzitter zou zijn. In 1846 stichtte hij met Snellaert, Heremans en Philip Blommaert het Vlaemsch Gezelschap (1846- ) waarvan hij eveneens voorzitter was. Van bij het begin (1851) was hij lid en vanaf 1862 voorzitter van het Willemsfonds. 

Dat de verdiensten van deze autodidact ook buiten het literaire en buiten Gent werden gewaardeerd, blijkt uit het feit dat hij in 1856 werd opgenomen als lid van de zgn. Grievencommissie, de Vlaamse Commissie die dat jaar bij koninklijk besluit was opgericht om “maatregelen op te zoeken (...) bekwaam om de ontwikkeling der Nederduitsche letterkunde te verzekeren en om het gebruik der Nederduitsche taal te regelen in hare betrekkingen met verschillige gedeelten van het openbaar bestuur”. In 1864 werd hij bovendien lid van de commissie voor de hervorming van de spelling, commissie die het eens geraakte over de zgn. “spelling De Vries en Te Winkel”, wat uiteindelijk tot de eenheid van de spelling in Noord en Zuid leidde. Rens zelf gebruikte deze spelling ten andere reeds in het tijdschrift De eendragt. 

Hij was liberaal maar hield zich afzijdig van de politiek. Op literair gebied ontfermde hij zich over jongere auteurs, o.m. door hen gelegenheid tot publiceren te geven in “zijn” tijdschriften, én door hen raad te geven. Zijn minzaamheid en zijn verdraagzaamheid (voortreffelijk geschetst door Virginie Loveling waar hij vriend aan huis was) bezorgden hem de bijnaam “vader Rens”. Blijkbaar was enig conservatisme hem nochtans niet vreemd en dat leverde hem vooral van Antwerpse zijde kritiek op.       

De stad Gent eerde hem met een straatnaam (de Tolhuislaan kruisend). 

[Frans Heymans]

Over F. Rens: