terug naar index
Rodenbach, André

(Lokeren, 21.06.1901 - Gent, 05 (of 24).04.1963) 

Franstalige dichter en essayist, advocaat en procureur. Hij was de halfbroer van de Gentse dichteres Eliane (Ely) Rodenbach.
Het gezin vestigde zich in 1915 in Gent, in de Meerstraat. In 1919 trokken zij naar de Blankenbergestraat, in 1921 naar de Pelikaanstraat en in 1928 naar de Vrijheidslaan. 

Als dichter publiceerde hij een achttal bundels, o.m. La Splendeur de vivre (1945, zijn debuut), Le sortilège ardent des heures (1952), Alleluias à la vie (1960) en Gerbe de rayons (1963); Condition de la poésie française en Flandre (1956) en Visages de ce temps (1952) zijn essays; Wilfrid Lucas et son grand evangile d’amour Chrétien (1961) is een monografie over de in de titel genoemde Franse dichter en visionair. Rodenbach werd talloze malen gelauwerd en hij was lid van o.m. de Société des poètes français en van de Société des gens de lettres. Als advocaat en procureur bij het gerecht schreef hij verscheidene werken van juridische aard. 

Voor hem was poëzie geen recreatief spelletje; ze heeft een hoge zending te volbrengen: bijdragen tot het verheffen van gedachten en emoties boven het materialisme, het veredelen van de mens(heid) en het idealiseren van het leven.
Estelle de Poortere noemt hem de romantische dichter van het licht; de dichter met een lichtend en jeugdig hart (...) die de werkelijkheid omzet tot een innerlijke zang naar de klankkleur van zijn hart; de dichter die een droom van tederheid heeft gecreëerd in charmerende verzen...  

Rodenbach was ook moralist. Omdat hij zag had hoe de wereld aan ondeugden, miserie en morele desintegratie leed, wilde hij de bron van het kwaad te lijf gaan... en die bron was niet in de eerste plaats het materialisme, wél het afgrijselijk egoïsme, de etterende, zieltogende wonde op de wereld. 

De auteur had een afkeer van de moderne hermetische poëzie van kaal geplukte dichters, van de avant-garde literatuur, tenminste de anarchistische en onsamenhangende hedendaagse poëzie, die de mens afstompt en de decadentie van onze tijd reflecteert. In een van zijn bundels pleit hij, als “postface”, voor een terugkeer naar een zeker classicisme. 

Hij schreef heel wat oden aan Frankrijk, het land dat hij met vel en graten had ingeslikt. In het bijzonder de Midi lag hem nauw aan het hart.
De achteruitgang van het Frans in Vlaanderen bekommerde hem. In zijn Condition de la poésie française en Flandre (1956) gaat hij uitvoerig in op die teruggang die in hoofdzaak te wijten is aan de taalwetten en het bannen van de Franse taal uit het onderwijs (o.m. in de Gentse universiteit, vervlaamst in 1936). Het is dan ook – zo vond hij – de heilige plicht van de Belgen, in het bijzonder van de 75.000 franssprekende Vlamingen, de eeuwige vlam van de Franse cultuur brandend te houden, zo ook onze onsterfelijke liefde voor het ideale leven dat Frankrijk de intellectuele, artistieke en wetenschappelijke wereld biedt... “Er bestaat bij ons nog een [Franstalige] elite”, schrijft hij (p. 60) “die enige betekenis zou kunnen hebben voor de Franse literatuur” (...), maar zij wordt ontmoedigd [o.m.] door de louter op commercie en werk ingestelde Vlamingen en deze lompe massa [“cette masse béotienne”] is enkel materialistisch en niet geestelijk bezield.
Volgt dan de presentatie van een lange lijst van overleden en nog levende Vlaamse, Fransschrijvende dichters.

[Daniël van Ryssel]

Over A. Rodenbach: