terug naar index
Roelants, Maurice

(Gent, 19.12.1895  -  Sint-Martens-Lennik, 25.04.1966)

Hij kreeg een opleiding als leraar maar vanaf 1921 werd hij, om gezondheidsredenen,  als ambtenaar overgeplaatst naar het Ministerie van Justitie. Van 1954 tot 1963  was hij conservator van het Kasteel van Gaasbeek.

Met uitzondering van de toen nog klassieke boerenromans (van bijvoorbeeld Felix Timmermans, Ernest Claes, … ) beoefende hij spreekwoordelijk zowat alle andere literaire genres. Hij schreef romans, novellen, verhalen, theaterteksten, columns, aforismen, luisterspelen, filmscripts, gedichten, essays, correspondentie, (auto)biografisch werk en noem maar op. Opmerkelijk is ook het aantal tijdschriften dat hij (mee) stichtte of waaraan hij meewerkte, zoals ’t Fonteintje, Forum, Nieuw Vlaams Tijdschrift.
Een opsomming van zijn veelzijdig werk zou te ver leiden, we beperken ons hier tot de meest opgemerkte titels; zie verder de bibliografie.

Roelants wordt algemeen beschouwd als de initiator van de Vlaamse psychologische roman. Daarom ook stond zijn unieke novelle De jazzspeler: kleine roman met één personage en zeven instrumenten, zijnde een volledige slagwerkbatterij (1928) decennia lang op de leeslijsten van het middelbaar onderwijs. Ook zijn bekendste, meermaals bekroonde roman, Komen en gaan (1927), berustte op het onderzoeken van zieleroerselen en levenshouding van zijn hoofdpersonage. Later volgden in dezelfde trant veelzeggende titels als Alles komt terecht (1937) en Het leven dat wij droomden (1931, in 1982 verfilmd door Robbe de Hert).
Zijn bekendste essayistische werk is de verzameling Schrijvers, wat is er van den mensch (1943, verm. dr. 1956 en 1957). In 2006 bezorgde de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde een uitgave van zijn jarenlange correspondentie met Maurice Gilliams: Die onvindbare heb ik bij u gezocht, Maurice…

Hij werd in 1930 bekroond met de driejaarlijkse staatsprijs voor verhalend proza (voor Komen en gaan), in 1937 met de Provinciale romanprijs van Brabant en in 1950 met de driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie (voor Lof der Liefde).

M. Roelants en Gent

Roelants groeide op in Gent, bij zijn vader-weduwnaar in de ‘waterwijk der Heirnisse’ en bij zijn tante en oom langs vaderszijde op de Tichelrei, later in de Sint-Pietersbuurt, naast het oud Sint-Pietersklooster. Ook zijn normaalschoolstudies volbracht hij in Gent, waar hij ook de latere schrijvers Karel Leroux, Achilles Mussche en Raymond Herreman (alias Raymond Vere) ontmoette. Met deze laatste Gentenaar schreef hij samen de dichtbundels Eros (1914, zijn debuut) en Verwachtingen (1916) onder zijn pseudoniem Maurice Minne.
Hij richtte in 1931 het Karel van de Woestijnegenootschap op, met wie hij via zijn vrouw (schoonzus van Karel) verwant was, en wijdde ettelijke beschouwingen aan het werk van Richard Minne.
Kwamen Gent en de Gentenaars slechts terloops maar raak geschetst in beeld in Het leven dat wij droomden, de roman Gebed om een goed einde (1944) staat helemaal in Gent geworteld (zie ook de afgebeelde torenrij op de editie 1956). Roelants veroorloofde zich in het eerstgenoemde verhaal om de Gentenaars middels een chagrijnige studentenmond karikaturen van zichzelf te noemen, “uitgemergeld fabrieksgebroed met grote smoel” of “schraapzuchtige handelaars” en “fransdolle aristocraten”. Die zag de stad ook als een aaneenschakeling van schaduwen en modderpoelen.
Hoe liefdevol anders klinken zijn beschrijvingen van de arbeiderswijken, markten en kermissen, de buurt rond de Vrijdagsmarkt, de Schelde en de reien langs de Leie in Gebed om een goed einde. En hoe opgetogen is de jonge Maurice als hij verhuist van de Gentse havenbuurt naar de Sint-Pieterswijk, waar jaarlijks de Gentse foor met al zijn speelgoedkramen en kermisgeuren neerstreek: “Ik kan slechts de schouders ophalen als er ter wereld sukkels zijn, die zich verbeelden, dat er een grootsere kermis dan de Gentse foor bestaat.”

[Frans Heymans & Jean-Paul den Haerynck]

Over M. Roelants: