terug naar index
Ryckius, Justus

(Gent, 06.05.1587 - Bologna, 10.12.1627) 

Erudiet neolatinist, vooral in het Latijn schrijvend dichter. Zijn echte naam was Joost de Rycke maar zoals veel andere tijdgenoten-humanisten (o.m. Daniel Heinsius, Antonius Sanderus, Justus Lipsius...) verlatijnste hij zijn familienaam als Ryckius, ook wel Rycquius, Rickius en Richius.

Ryckius was een primus aan het Gentse jezuïetencollege. Vervolgens studeerde hij aan de kapittelschool. Daarna volgde hij literatuur, filosofie en recht aan de universiteit van Douai. Geleidelijk aan legde hij zich echter meer toe op de poëzie. In 1606 publiceerde hij zijn eerste Latijnse gedichten (Præludia) met o.m. een ode aan de Gentse dichters Franciscus (vader) en Justus (zoon) Harduinus. Hij onderbrak zijn studies te Douai voor een reis naar Rome waar hij van 1606 tot 1612 zou blijven. Hij raakte er meer en meer in de ban van de klassieke literatuur (uit de Oudheid) en van het archeologisch onderzoek.  

In 1610 publiceerde hij in Rome de brieven die hij sedert het vertrek uit zijn geboortestad had geschreven aan zijn vrienden: Justi Rickii Gandensis Belgæ, Primitiœ Epistolicœ. Coloniœ Agrippixœ. In 1612 trad hij in dienst van Hieronymus Fuscus, kamerheer van de paus, wat hem meteen introduceerde in het Vaticaan.
Datzelfde jaar echter [Blommaert spreekt van 1614] vatte hij de terugreis naar Gent aan. Vanuit Milaan ­– waar hij een tijdlang door ziekte weerhouden werd – stuurde hij een Latijns gedicht aan zijn Gentse vrienden: Elogia gandensium poetarum. Hij zwaaide daarin de lof van dertien dichters: Andries de Paepe (Papius), Karel de Lange (Langius), Livinus van der Beke (Torrentius), Franciscus en Justus de Harduwijn (Harduinus), Lodewijk de Laute (Lautius) , Philips Bischop (Episdcopius), Daniël Heins (Heinsius), Maximiliaan de Vriendt (Vrientius, in wiens werk Urbes Flandriae et Brabantiae het gedicht van Ryckius als bladvulsel was opgenomen), Jacob Cornelis van Lummene van Marke (Lummenæus), David van der Linden (Lindanus), Jan de Scheppere (Schepperus) en Antonius Sanders (Sanderus). Tot slot van het gedicht hoopt hij (Ryckius) dat ook zijn naam Gent ooit eens “tot gloor” zou strekken.
Dit gedicht werd door Philip Blommaert vertaald als Lof der Gentsche dichters en opgenomen in dienst (verzamelde) Gedichten. 

Terug in Gent publiceerde Ryckius in 1617 zijn hoofdwerk, De Capitolio Romano Commentarius (waaraan hij in Perugia begonnen was). Hij werd priester gewijd en in 1621 aangesteld als kanunnik en bibliothecaris van het Gentse Sints-Baafskapittel. Niettemin bleven de poëzie en de archeologische studie zijn passies. 

In oktober 1624 trok hij een tweede maal naar Rome. Het jaar nadien zou hij lid worden van de Accademia dei Lyncei, de in Rome gevestigde oudste Europese wetenschappelijke academie. [Blommaert vermeldt dat hij “bibliothecaris van het Vaticaen benoemd” werd]. Enkele maanden later kreeg hij een leerstoel (welsprekendheid en poëzie) aan de universiteit van Bologna. Dit bevestigt zijn reputatie van begeesterend redenaar en goed poëet.
Ondanks deze hoge waardering verkeerde hij voortdurend in geldnood. Om zijn schulden te kunnen betalen, vroeg hij zijn familieleden, al zijn bezittingen te verkopen, behalve zijn bibliotheek. 

Uitzonderlijk schreef hij ook in het Nederlands, getuige daarvan de kleine bundel, gepubliceerd in het jaar van zijn definititief vertrek uit Gent: Roosenkrans van den H. Joseph, voesterheer van onzen Salicmaker, gedeelt in vijf tientjes, in dichte gestelt door J. Ryciuium, canonick van S. Baefs te Ghent. Gent, by Corn. Van der Meeren (1624) 

Alle verhoudingen in acht genomen, zou men Ryckius’ Lof der Gentische dichters kunnen beschouwen als een verre voorloper van ... Literair Gent!  

[Frans Heymans]

Over J. Ryckius: