terug naar index
Schepens, Jan

(Gent, 28.05.1909 - Brugge, 16.07.1994) 

Journalist, onderwijzer, dichter, prozaschrijver, criticus, essayist, auteur van biografieën, vertaler, redenaar.
Hij behaalde het diploma van regent Talen aan de Rijksnormaalschool in Gent. Later voegde hij daaraan nog een zgn. Akte van Bekwaamheid tot het ambt van bibliothecaris (1934) en een getuigschrift Praktische kennis in de Italiaanse taal toe (1958). 

Beroepshalve startte hij als proeflezer in de Gentse Volksdrukkerij (1929-1930). De drie volgende jaren was hij redacteur bij Het Laatste Nieuws in Brussel en dan, eind 1932, begon hij aan zijn onderwijsloopbaan, eerst als studiemeester (1932-1935) en vervolgens als leraar (1935-1945) aan de Rijksmiddelbare Jongensschool te Brugge. Na een tussenstap als leraar aan de Rijksnormaalschool van Blankenberge (vanaf 1945) werd hij in 1956 directeur van de Rijksmiddelbare Jongensschool in Brugge. 

De literator 

De onderwijsman Jan Schepens leidde een dubbelleven. De “vrije” helft van zijn tijd wijdde hij aan de literatuur. Tussendoor bereisde hij ook nog een groot deel van Europa en omstreken.  

In 1929 maakte hij zijn literair debuut met De helletocht : het prozalied van een jeugd. Tot zijn belangrijkste scheppend werk behoren Polyfoto (1939, een zelfportret in vroeg-experimentele proza), Het letterkundig prentenboek : bevattende de avonturen van Don Quichote Greshoff en Sancho Panza Schepens in het Vlaamsche literatuurland (1943) evenals de dichtbundels Eenzaam zingen (1959), Nocturnes (1961), Zeemansliedjes (1962), Cycloop (1963) en – zeker te vermelden in dit “Literair Gent” – Gents testament (1975). Zijn gedichten zijn hoofdzakelijke traditioneel en relativerend, geschreven in een eenvoudige taal.
Van zijn talrijke essays en kronieken vermelden we zijn literaire studies over Jan Greshoff (1938), Achilles Mussche (1946) en Johan Daisne (1946) evenals zijn essays Russische schrijvers (1934) en Italiaanse schrijvers (1935).  

Schepens was redacteur van o.m. de tijdschriften Pan (1927-1928), Werk (1939) en De Vlaamse gids (1945-1960) waarin hij ook schreef onder het pseudoniem Jan van Gent. Hij publiceerde eveneens in anderstalige tijdschriften, o.m. in Le Thyrse (1935-1938, een rubriek over de Vlaamse letteren) en in Mercure de France (1934-1946, onder het pseudoniem Jean Baudoux, een kroniek over de Nederlandse letterkunde).
Hij bleef een geregelde medewerker van het Gentse dagblad Vooruit. In de periodes 1946-1949 en 1953-1955 publiceerde hij er een aantal literair-critische bijdragen en Nederlandse (Hollandse) reisindrukken. Van 1971 tot 1974 had hij in de rubriek Geestesleven een kroniekje Mozaïek en van begin 1973 tot eind 1974 publiceerde hij er wekelijks (zij het met enkele onderbrekingen) een 80-tal cursieve bijdragen onder de titel Op zoek naar Gent 

Een zeer ruim publiek bereikte hij als begeester(en)de, fenomenaal gedocumenteerde redenaar. Hij gaf talloze lezingen, te lande en in het buitenland. Daarmee toonde hij zich een ware propagandist en ambassadeur van de Vlaamse letteren, ook in Duitsland waar hij menige voordracht hield.  

Uit dit alles – en uit zijn talrijke recensies en kritieken in dagbladen en tijdschriften – blijkt zijn enorme belezenheid en zijn eruditie.  

J. Schepens en Gent 

Hij werd geboren in de Gentse Sint-Pietersnieuwstraat. In november 1911 verhuisde hij met zijn ouders naar de Nederkouter. In april 1919 vestigde hij zich aan de Sint-Denijslaan. Vanaf oktober 1931 trok hij naar de Alfred Vanderstegenlaan in Sint-Amandsberg. Na zijn huwelijk (1932) met Carmen Maerten koos hij definitief voor West-Vlaanderen en woonde hij achtereenvolgens in Oostende, Brugge, Blankenberge en weer in Brugge. 

Met Richard Minne was hij wellicht de meest typisch Gentse dichter, aldus Miel Kersten. Uitte Minne zijn Gentse verknochtheid vaak ironisch, dan bezong Schepens zijn vaderstad directer en in alle toonaarden.  

In Gent was hij (nadat hij al decennialang in Brugge woonde) o.m. meermaals als spreker te gast bij de links-vrijzinnige “Boekuil”, bij het Willemsfonds én bij de Vereniging van Katholieke Oostvlaamse Schrijvers. 

Zijn (definitief) vertrek uit deze stad, in 1932, en het feit dat hij het grootste gedeelte van zijn leven in Brugge woonde, veranderden niets aan de liefde voor zijn geboortestad. Hij bleef een Gentenaar in hart en ziel. In Polyfoto schreef hij ooit: “Ik wil dat mijn asch gestrooid wordt te Gent, mijn stad, over de Vrijdagmarkt, mijn plein, omdat ik daar altijd herinnerd werd aan de drie symbolen, die mijn leven beheerschten: het WILLEMSFONDS, de vrije, blije Geest, de Elite / ANSEELE, het Hart, het Volk / en  ARTEVELDE, de WIL, de MACHT / van Vlaanderens hoofdstad.” En bij zijn begrafenis in Brugge werd voldaan aan wat hij had gevraagd: over zijn kist werd een Gentse vlag gespreid. 

Gentse werken 

Gents testament is een bundel met 65 sonnetten, alle gewijd aan Gentse figuren, straten, steegjes, leien, pleinen, kaaien, gebouwen, waterlopen, bibliotheken, cafés en dies meer. Niet altijd de grootste poëzie – dikwijls gelegenheidsgedichten, invallen en herinneringen – maar wel getuigen van zijn onvoorwaardelijke gehechtheid aan deze stad. 

De (nooit als zelfstandige bundel gepubliceerde) cursiefjes Op zoek naar Gent waren alle het resultaat van zijn nimmer aflatende zoektocht naar het beeld van Gent in (vooral) de literatuur. Hij speurde naar wat Nederlands- en anderstalige literaire auteurs schreven, of naar wat er in andere werken (bv. reisgidsen, kronieken...) aan merkwaardigs te vinden was over zijn geboortestad. Telkens situeerde hij de besproken auteur, citeerde hij de gevonden “Gentse” fragmenten en lichtte hij ze kort toe. Deze rubriek was duidelijk gericht tot een breed publiek.

[Frans Heymans]

Over J. Schepens: