terug naar index
Sevens, Alfons

(Lapscheure, 10.03.1877 - Gent, 07.12.1961, ook Fons genoemd)

Onderwijzer en later verzekeringsmakelaar, auteur van journalistiek werk en van (in eigen beheer uitgegeven) blijspelen, romans en novellen, overtuigd flamingant. In die laatste hoedanigheid was hij medestichter van de Vlaamsgezinde bladen Jong Vlaanderen (1900) en De Witte Kaproen (1910) en ijverde hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit (o.m. als ontwerper van het Algemeen Verzoekschrift voor Vervlaamsing van de Gentse Hogeschool, ook bekend als het Petitionnement (1911) waarvoor hij meer dan 150.000 handtekeningen verzamelde). In hetzelfde jaar 1911 was hij de bezieler Vlaanderens Kunstdag die op 16 juli in Gent doorging en die massaal werd bijgewoond (zie bij Evenementen). Als lid van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen was hij een actief organisator van culturele massabetogingen, herdenkingen en uitvoeringen.
Ook schreef hij politiek-geïnspireerde artikelen en brochures over de vervlaamsing van het onderwijs, het leger, het gerecht, de administratie en de werkkring. Alhoewel hij voor de Eerste Wereldoorlog veel vrienden-activisten had, keurde hij hun collaboratie openlijk af en dat kostte hem drie jaar deportatie naar Duitsland. Na de oorlog zou hij – in de brochure Activisme, Frontisme en Vlaamse Beweging – belangrijke belastende informatie bekendmaken over de wedden aan vooraanstaande activisten, de toelagen aan Vlaamse bladen, het Vlaams Propagandabureau, beloningen aan verklikkers en deserteurs. Deze informatie werd door de Frontisten en het VNV bestempeld als anti-flamingantisch en dus taboe. Recent wetenschappelijk onderzoek bevestigt nochtans de juistheid van Sevens’ informatie. 

Sevens’ literair werk sloot aan bij zijn politieke geschriften: het ontstond niet zozeer omdat hij literaire ambities koesterde, maar wel vanuit een sociale bewogenheid, “voor de ontvoogding van het Vlaamse volk”. Gevoelig als hij was voor volkse toestanden vond hij – als verzekeringsmakelaar – inspiratie bij zijn klanten. In het “woord vooraf” bij zijn tweede roman, Moeders hoogmoed (niet gedateerd zoals zijn meeste werken, wellicht 1910), lichtte hij zijn literaire bedoelingen en zijn literair programma toe. Daarin gaf hij te kennen, een reeks romans te schrijven die telkens een in andere tak van de Vlaamse “bedrijvigheid” zouden gesitueerd zijn. In Moeders hoogmoed was dat het vakonderwijs, de wereld van de bedienden, het geestelijk proletariaat, de ambachtslieden, de kleine burgerij en de alleenstaande vrouwen in de stad. Volgende romans zouden achtereenvolgens gaan over de milieus van de landbouw, de zeevaart, het hoger handelsonderwijs en het kunstonderwijs.
Vermits hij op school zijn moedertaal, het Nederlands, niet had mogen gebruiken, was zijn Vlaams dat van een autodidact: hij schreef zoals men sprak. Uit correspondentie en getuigenissen (1909-1923) blijkt nochtans dat o.m. August Vermeylen, Stijn Streuvels, Max Rooses, Pol de Mont, Maurits Sabbe, Jan Greshoff, de Brusselse burgemeester Karel Buls, Karel van de Woestijne en Nestor de Tière waardering hadden voor deze verdienstelijke Vlaming.
Bovendien werpen bepaalde zeer hoge oplagen van zijn werken onverwacht een licht op de leesgewoonten in Vlaanderen: zo haalde zijn roman Schoolmeester (gepubliceerd in 1907 maar in 1900 al verschenen als toneelstuk) 10.000 exemplaren! Dit verhaal was een pleidooi voor kosteloos officieel onderwijs, het legde getuigenis af van het idealisme van de baanbrekers en klaagde de dwang aan die op Vlaanderens ontplooiing drukte.

A. Sevens en Gent

Van 1898 tot 1910 woonde Sevens in de Oudburg, boven de nog steeds bestaande apotheek. Na zijn huwelijk in 1910 nam hij zijn intrek in de Steurstraat (thans Penitentenstraat). De familie bleef er tot 1927 waarna zij verhuisde naar de Nieuwenbosstraat, naast de toenmalige Beroepsschool voor Juffrouwen, waar Sevens’ echtgenote lesgaf (naast de Stedelijke Handelsschool). Van 1941 tot eind 1945 woonde het echtpaar tegenover het peristylium van de Gentse universiteit aan de Volderstraat en tenslotte woonde hij tot zijn overlijden in de Lange Steenstraat (thans Grauwpoort). Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats.

Nadat hij wegens flamingantisme weggestuurd was van de Normaalschool van Torhout, behaalde hij het onderwijzersdiploma voor de centrale examencommissie (1896) en verhuisde hij naar Gent waar hij twee jaar (1896-1898) aan het Sint-Jorisinstituut aan de Steendam lesgaf en actief deelnam aan de door de Snellaertskring gevoerde campagne voor het wetsvoorstel De Vriendt-Cooremans (1895, over de gelijkheid van beide landstalen). Zijn eerste politieke journalistiek verscheen in het in Gent uitgegeven maandblad De Vlaamsche Strijd. Hij maakte kennis met Paul Fredericq. In 1900 stichtte hij met René De Clercq het flamingantisch blad Jong Vlaanderen, en in 1910 De Witte Kaproen (1910-1914 en 1919-1921, 1939). Van deze eveneens te Gent ontstane bladen was Sevens tegelijk oprichter, journalist, bezieler en uitgever.

Enkele van zijn romans zijn in Gent gesitueerd. Zo wordt in het reeds genoemde Moeders hoogmoed het verhaal verteld van een alleenstaand meisje dat van de buiten naar de grote stad trekt, daar door een rijkeluiszoon wordt verleid en zo “op de helling [geraakt] die onvermijdelijk naar de ontucht leidt”. Dit boek bevat o.m. het relaas van een uitbundig – zoniet losbandig – carnavalsbal in “den Nieuwen Cirkus”, d.i. het latere zgn. “Circus Mahy” (thans leegstaand) in de buurt van de Minardschouwburg.. 
Drie Gentse novellen van A. Sevens werden gebundeld onder de titel Vergeet-mij-nietjes ;  Niet uit liefde ; Haar grote verdriet. Ze bieden een gedetailleerd beeld van de Oudburg, het Sluizeken aan de Sleepstraat, de buurt van de Vrijdagsmarkt en Terdonck. Ze zijn van grote evocatieve kracht voor de folklore en het dagelijkse leven in een slagersbedrijf, klandizie inbegrepen.

[Nicole Verschoore]

Over A. Sevens: