terug naar index
SEVERIN, Fernand

(Grand-Manil/Gembloux, 04.02.02.1867 – Gent, 04.09.1931)

Belgisch-Franstalige dichter die heel zijn leven een minnaar bleef van aarde en bos en van het landschap van Schelde en Maas. Zijn jeugd bracht hij door in Duitsland. Hij studeerde klassieke talen en Duits in Brussel, waar hij zich na het overlijden van zijn moeder ook vestigde. Hij doceerde in Virton en Leuven en bekleedde vanaf 1907 de leerstoel Franse letterkunde aan de Gentse Universiteit. Hij woonde in het Gentse ‘Miljoenenkwartier’ op de hoek van het Paul de Smet de Naeyerplein met de Jemappestraat, in een woning ontworpen door de Gentse architect Jean Hebbelynck.

Severin werd aangetrokken door de symbolistische literatuur, maar schreef uiteindelijk meer tradioneel werk met romantische inslag. Zijn eerste gedichten werden gepubliceerd in La jeune Belgique. Hij was ook geregeld medewerker van La Wallonie van Albert Mockel, van Mercure de France en L' Indépendance belge.
Zijn belangrijkste werken staan volledig in het teken van het pure idealisme: Le lys (1888), Le don d'enfance (1891), La solitude heureuse en Matins angéliques (beide 1904), La source au fond des bois (1924). Hij was goed bevriend met Charles van Lerberghe, met wie hij naar Italië reisde en die hem “le plus grand et le plus pur d’entre nous” noemde. Severin publiceerde een “esquisse d’une biographie” over Van Lerberghe in het Bulletin de l’Académie Royale de langue et de littérature françaises (1922, n° 1, p.73-105), gebaseerd op een lezing van 14 december 1921.
In 1930 verschenen zijn Œuvres complètes, evenwel beperkt tot de gedichten die hij niet trendgevoelig achtte. In de jaren veertig van vorige eeuw wijdden zowel Elie Willaime (1941) als Paul Champagne (1945) een biografie aan hem. In 1981 verscheen een Belgische postzegel met zijn beeltenis.

[Frans Heymans en redactie]

Over F. Severin