terug naar index
Sierens, Frans

(Gent, 29.07.1929 - Gent, 07.08.1981)

Vlaamse prozaïst, toneel- en scenarioschrijver en filmkenner. Hij was de vader van de Gentse toneelschrijver Arne Sierens [zie aldaar].
Hij werkte mee aan de tijdschriften Dietsche Warande en Belfort, Nieuwe stemmen, Pelion, aan Cyanuur en aan Deze tijd, waarvan hij medestichter en redacteur was.
Hij blonk uit op drie terreinen: als prozaïst (zie verder), als toneelschrijver en als filmkenner en bleek op elk domein ook een gekend criticus. In de dramatische sector leverde hij toneelwerk, schreef eenakters en luisterspelen (zoals De amateur, BRT-Antwerpen, 1972). Zeer jong nog was hij al gepassioneerd door het medium film. Hij schreef scenario’s voor kortfilms en was een ijverige filmcriticus. De meeste lezers en luisteraars drukten hun waardering uit voor zijn vlotte dialogen. Hij assisteerde ook in de door zijn stadsgenoot Paul Berkenman geschreven en geregisseerde oorlogsfilm Want allen hebben gezondigd (1961). Sierens had in de jaren 1950-1960 een grote reputatie in de wereld van het theater én als filmcriticus.

Hij schreef een aantal opmerkelijke romans en enkele kortverhalen. In 1956 debuteerde hij met het symbolische dierenverhaal De kippen. Lof kreeg hij ook voor de lijvige roman Het verlies (1969), het levensverhaal van een oudere man die vier vrouwen overleefde en die zichzelf als een mislukkeling beschouwde. Onder de invloed van het Franse existentialisme is bijna al zijn werk doordrongen van eenzaamheid en wanhoop; zijn stijl is zakelijk en sober. Sierens werd begraven op Campo Santo, de bekende begraafplaats in Sint-Amandsberg.(+plaats graf?)

F. Sierens en Gent

Hij woonde vanaf zijn geboorte in de Gentse wijk Brugse Poort, als volwassene in de Schaverdijnstraat nr. 20. Hij studeerde Grieks-Latijnse humaniora in het Gentse Sint-Barbaracollege en behoorde als op-en-top Gentse auteur met o.m. John Bultinck en Fernand Handpoorter [zie aldaar] tot een groep jongeren die regelmatig bijeenkwamen in “Den Appel” op de Gentse Kalandenberg.
In 1966 kreeg Sierens ­voor zijn werk over filmregisseur Alfred Hitchcock de prijs van de Stad Gent voor essay, nadat hij in 1959 voor De kippen ook al door de Stad Gent bekroond was. Zijn toneelwerk De kleurloze werd in december 1957 opgevoerd in Toneelstudio ’50, het latere Gentse theater Arca en bekroond met de provinciale Paul de Mont-prijs voor toneel 1956.

De roman Het onderdak leverde hem in 1973 de Provinciale Oost-Vlaamse Prijs voor Letterkunde (roman) op. Het boek gaat over mensen die samen in een Gents flatgebouw een gemeenschappelijk “onderdak” vinden. Het is een mozaïek van tientallen simultane mensenlevens die samen de universele mens verbeelden die uiteindelijk weinig solidair wordt en egoïstisch voor zichzelf kiest. In zijn dankwoord bij de prijsuitreiking op 31 mei 1974 haalde de auteur herinneringen op aan zijn jeugd in het beluik Luizengevecht (Brugse Poort) en aan zijn bibliotheekbezoek (Drongensesteenweg).

Ook ander werk werd gunstig beoordeeld, zoals De kathedraal (1975), over de kathedraal van Chartres, waarvan een man een maquette bouwt, onder het oog van zijn aan leukemie stervend zoontje. Terzijde kwamen daarbij de Gentse ziekenhuizen in beeld en sprak het hoofdpersonage zich uit over de bouwkunst in Gent.
Ook de detectiveroman Een sterke geur van terpentijn (1978) speelde in Gent, o.a. in de “Klarissensteeg” (Clarissenstraat, bij het Koning Albertpark), aan het Gerechtshof bij de Kouter, in de Kasteellaan, enz. De hoofdrol was echter weggelegd voor Sierens’ alter ego, de levensecht getypeerde, vereenzaamde en teleurgestelde privé-detective Christian Kudera die met de “onvoorstelbare absurditeit” van de kosmos geconfronteerd wordt.

[Frans Heymans & Jean-Paul den Haerynck]

Over F. Sierens: