terug naar index
SINCLAIR, MAY

(Rock Ferry/Cheshire, Groot-Brittannië, 24.08.1863 - Buckinghamshire, 14.11.1946)

Britse suffragette en schrijfster. Enkele gedichten, haar roman The Belfry en haar oorlogsdagboek Journal of Impressions in Belgium beschrijven haar ervaringen als vrijwillige verpleegster bij een Engelse veldambulancegroep achter de frontlijn in België. In de nazomer van 1914 opereerde de groep vanuit Gent.

May Sinclair was het pseudoniem van Mary Amelia St. Clair. Nadat haar vader, een scheepseigenaar, failliet ging en stierf, vertrok ze op jonge leeftijd met haar moeder naar Ilford, Londen, waar May vooral haar oudere, zieke broers verzorgde. Ze werd een bekende Engelse suffragette (lid van de Engelse feministische beweging begin 20ste eeuw) en schrijfster van romans, verhalen, biografieën en gedichten. Vanaf 1932 woonde ze in Buckinghamshire en leed ze aan de ziekte van Parkinson. 

Ze debuteerde in 1886 als ‘Julian’ Sinclair met Nakiketas and Other Poems, maar was toen vooral actief als literatuurcriticus en suffragette. Ze werkte mee aan het feministische blad Votes for Women en werd in 1908 lid van de Women’s Freedom League.Vanaf 1896 begon ze haar professionele schrijverscarrière. In 1904 brak ze definitief door met The Divine Fire, de roman die haar ook de bewondering en vriendschap van de befaamde Thomas Hardy opleverde. 
Onder invloed van de filosofie van het Duitse idealisme schreef ze non-fictiewerk, dat in de Verenigde Staten veel succes kende. Ze verdiepte zich vervolgens in het werk van de zussen Brontë, wat zowel een kritische biografie opleverde, The Three Brontës (1912), als een roman, The Three Sisters (1914). Vooral vrouwelijke thema’s zoals maatschappelijke discriminatie, huwelijk en vrouwenrechten stonden centraal in een twintigtal romans. Vanaf 1913 bestudeerde ze grondig de psychoanalyse en paste die toe in haar literaire werk.

Haar vriendschap met de dichters Hilda Doolittle, de jonge Ezra Pound en de oudere Ford Madox Ford, en haar kritische bijdragen over Thomas Stearns Eliot, hadden grote invloed op haar werk. Kenmerkend is bijvoorbeeld het autobiografische Mary Olivier (1919), door Charlotte Jones een “portret van de kunstenaar als jonge vrouw” genoemd. Sinclair muntte ook als eerste het modernistische begrip ‘stream of consciousness’ in een literaire context; in 1918, in haar recensie van Dorothy Richardsons Pilgrimage.
The Life and Death of Harriett Frean (1922), een verhaal van (zelf-)onderdrukking, wordt algemeen als haar beste werk beschouwd. Jonathan Coe waardeerde het bijzonder om de dramatische kracht en suggestieve verwoording. Om de experimentele maar toch erg leesbare schriftuur is het boek de voorloper/tegenhanger genoemd van Virginia Woolfs Mrs. Dalloway en James Joyces Ulysses
Later schreef Sinclair als volgelinge van het spiritualisme nog succesvolle, ook literair gesmaakte, fantastische verhalen, verzameld in Uncanny stories (1923) en The intercessor and other stories (1931). Desondanks verdween ze na haar dood snel uit de literaire aandacht.

May Sinclair en Gent

In 1914 belandde May Sinclair in België als vrijwillige verpleegster in dienst van het Munro Ambulance Corps, waarbij ze de eerste tijd opereerde vanuit Gent. Hoewel ze slechts enkele weken nabij de frontlijn ingezet werd, maakten de gebeurtenissen zo’n enorme indruk op haar, dat ze er ettelijke keren over schreef. Eerst in de gedichten Field Ambulance in Retreat (gedateerd oktober 1914) en Dedication (To a Field Ambulance in Flanders); dat laatste werd in 1914 opgenomen in Hall Caines King Albert’s Book: A Tribute to the Belgian King and People from Representative Men and Women throughout the World. Het gedicht verwoordde haar aanvankelijke enthousiasme voor de oorlog en voor de aantrekkingskracht van het gevaar: “(Danger) kept you with her in her fields of Flanders,/ Where you go,/ Gathering your wounded from among her dead.” Maar al snel doordrong de alomvattende tragiek en het grote verlies dat de oorlog teweegbracht, haar verzen: “Your names are strung with the names of ruined and immortal cities.” Hetzelfde gedicht opende later ook haar Belgisch oorlogsdagboek [zie onder]. 
In een ander gedicht After the Retreat, geschreven na de val van Antwerpen, herinnerde Sinclair zich de terugtrekking van de troepen door België, voorbij haar “dear city of Ghent”. Ook in haar na WO I genoteerde herinneringen bleef ze expliciet naar Gent verlangen. 

Journal of Impressions in Belgium

May Sinclairs belangrijkste werk over Gent is haar oorlogsdagboek Journal of Impressions in Belgium (1915). Daarin lezen we haar beklijvende, expliciete en psychologisch scherpzinnige impressies van de impressionante eerste zeventien dagen in Vlaanderen, vanaf 25 september 1914. “Ter plaatse” genoteerd verantwoordde ze in de inleiding als “down there and then, on the spot”; in realiteit kon ze haar notities door de omstandigheden meestal pas na een week tot enkele maanden later aan het papier toevertrouwen. A Journal… steunt ook zelden op feitelijke gegevens en bevat daardoor soms foutieve vermeldingen van oorlogsdaden, Belgische sociaal-politieke ontwikkelingen en locaties, want ze beschikte nauwelijks over verificatiemogelijkheden en had geen toegang tot militaire stafkaarten. 
Toch leest Sinclairs Journal als een dag-na-dag-verslag, dat vooral inzicht biedt in de concrete werkomstandigheden en de psychologische ontwikkeling van haarzelf en haar medeambulanciers. Zelf noemde ze het “a human document” en expliciet géén verheerlijking, noch een geschiedenis van het Munro Ambulance Corps. 
Het volledige dagboek loopt tot 15 juli 1915, van de samenstelling van het ambulanceteam en de administratieve papiermolen bij aankomst in Oostende tot de terugtrekking van het Belgische leger achter de IJzer. Op emotioneel vlak gaan daar de notities van haar oorlogsnachtmerries vooraf. Ze schrijft over de voortdurende spanning terwijl ze wachtte op actie, over haar gevoelens van verslagenheid en nutteloosheid, over het opgesloten zitten in “the fantastic dislocation of war” en in de gestadige geruchtenmolen over bombardementen of andere verschrikkingen, over Duitsers voor de poorten, maar ook over nuchtere, met eigen ogen geconstateerde feiten: “No Germans here. No zeppelins. No bombs.”

“The beautiful grey-white foreign city” – zo beschreef Sinclair de stad Gent toen haar ambulance op 26 september 1914 vanuit Eeklo de stad naderde door het onbeschrijflijk vredige, groene landschap in het noordwesten: “This country is formed for the very expression of peace.” Maar onderweg naar Gent volgde al meteen de eerste ontnuchtering: de oncomfortabele rit in een Daimler-ambulance over Vlaamse kasseiwegen, voorbij legertroepen in beweging en versterkte schuilplaatsen, en in de alomtegenwoordige angst van de bevolking voor de “Uhlanen” [Duitsers]. 
Het ambulanceteam werd in Gent verwelkomd door een groep fietsers, passeerde het Militair Hospitaal I [Ekkergem, Antonius Triestlaan] en nam zijn intrek in het vlakbij het Sint-Pietersstation gelegen Flandria Palace Hotel [Maria Hendrikaplein 2], dat als Militair Hospitaal II was ingericht. Sinclair beschreef gedetailleerd de fantastisch aandoende façade met de mahoniehouten toegangsdeuren en de vreemde sfeer van de hospitaalinrichting in de extravagant gedecoreerde hotelruimtes. Tot haar verbazing was het gebouw ook al voorzien op de Britse ambulanciers, met een aparte mess, slaapkamers, badkamers, keuken- en kamerpersoneel. Verderop in haar Journal berichtte ze over de overvolle ziekenkamers, de bedden en draagberries vol stervende soldaten in de gangen. En over haar schuldgevoel de plaats in te nemen van zoveel betere [gediplomeerde!] verplegers, of van een jonge Engelsman die al ruim een decennium met Gent vertrouwd was en Frans en Vlaams kon spreken met de gewonden.
In de eerste dagen verkende ze verder de stad Gent, bezocht met de ambulancechauffeurs herhaaldelijk het in 1910 gebouwde Hôtel de la Poste aan de Place d’Armes [Kouter], dat over een prachtige hall en tea-room beschikte. Omdat directe inzet aan het front uitbleef, ging ze aan de slag als linnenververser en als maaltijdbedeler voor vluchtelingen in het Palais des Fêtes [Citadelpark]. Dat feestpaleis karakteriseerde ze als een Olympia; het herinnerde haar ook aan de Botanical Gardens in Regent’s Park en deed haar uitweiden over de door de oorlog verwaarloosde begoniavelden in de omtrek van Gent. 

May Sinclairs beschrijvingen van stervende soldaten in het Flandria-hospitaal en van de aanzwellende stroom gevluchte Vlamingen die in het Feestpaleis moesten worden opgevangen, zijn omvangrijk en gedetailleerd. Haar grote empathische vermogen evolueerde van shock over medelijden tot toenemende gevoelloosheid en gelatenheid; en uiteindelijk tot de verzuchting: “There are no words for it, because there are no ideas for it.”
Ze beschreef ook de overhaaste evacuatie van het Rode Kruis met gewonde Britse soldaten uit de Sint-Pietersabdij en het Flandriahotel richting Oostende in het tweede weekend van oktober 1914, toen de Duitsers na de val van Antwerpen snel oprukten naar Gent. Maar ook hierbij had ze vooral aandacht voor wie achterbleef: Belgische vluchtelingen, hotelpersoneel, opgegeven soldaten. En haar inmiddels fel geliefde stad Gent. Tegen het eind van haar oorlogsdagboek had ze die al een haast metaforische functie toegekend: “All I know is that I love it and that I had left it. And that I want to go back.” (Journal, p. 289). 

Sinclair observeerde, beschreef en doorzag als “secretary and reporter”, maar ook als ‘oudere’ vrijwilligster – ze was al bijna 50 toen ze in Gent actief was – gaandeweg haar twaalf ambulanceteamleden. Sommigen voortreffelijk medisch of technisch geschoold, ervaren chauffeurs, een no-nonsense-legercommandant, een kapelaan. Maar ook piepjonge vrouwen en mannen, zoals zijzelf bereid tot het uiterste, maar tegelijk terughoudend voor de confrontatie met zwaargewonden. En Sinclair legde ook duidelijk hun motieven bloot om zich als vrijwilliger aan te melden, onschuldig-onwetend, of overtuigd-militant en zonder vrees.
Nog diepgaander voelde Sinclair in haar Belgisch oorlogsavontuur haar ‘roeping’ als vrijwillig verpleegster: “It draws your heart out to it all day long” (29.09.1914). Maar ook als verslaggeefster, waarbij ze haar groeiende frustratie en totale nutteloosheid ventileerde: “Five days in Ghent and not a thing done; not a line written of those brilliant articles from the Front”. 
Ondanks haar instant-vriendschap met de Franse, van zijn verwondingen herstellende soldaat-journalist-schrijver Prosper Panne, een gedenkwaardige avond met een heroïsche Belgische luitenant en spontane Folies Bergère-toestanden, en tenslotte toch de opwindende ambulanceritten naar de frontlijn in Berlare, Lokeren en Melle was de eindconclusie van haar verblijf in Gent onverbiddelijk: “The very refinement of hell”.

De literaire reputatie van May Sinclairs Journal

De notities in Sinclairs oorlogsdagboek zijn gedetailleerd en uitgebreid, en haar invalshoek is om verschillende redenen uniek. Haar Journal kreeg al onmiddellijk tijdens WO I én tot in onze dagen veel aandacht van critici en literatuurwetenschappers. The North American Review (nov. 1915, nr. 202) noemde het “the most genuine and vital piece of writing that has come from the war area”, Samuel Hynes sprak van een “pionierstekst van de oorlogsliteratuur” en vanuit vrouwelijke hoek waardeerde men haar “hoogst persoonlijke stem” (Claire Buck). 
In 2018 wees Sara Prieto in een wetenschappelijk onderzoek op het sterk afwijkende karakter van Sinclairs Journal vergeleken met meer conventionele, mannelijke oorlogsgetuigenissen van Arnold Bennett, Arthur Conan Doyle en Rudyard Kipling. En zelfs in vergelijking met de gekende vrouwelijke oorlogsliteratuur van Edith Wharton of Mary Roberts Rinehart was Sinclairs diepgaande ambivalentie, frustratie en visie opvallend origineel. De toon van A Journal… getuigde volgens Prieto van torenhoge ambitie, van de interne concurrentie binnen het ambulancecorps, maar ook expliciet van militaire vernedering, zodat haar aanwezigheid aan het front (als niet-gediplomeerde verpleeghulp en ‘niet-erkende’ journaliste) uiteindelijk totaal overbodig leek. Sinclairs droom om ooggetuige te zijn van een splijtend wereldgebeuren vergleed tot een volkomen gemiste ‘rite de passage’.

May Sinclairs roman The Belfry

Gent speelt een kleinere, maar toch niet onbelangrijke rol in Sinclairs psychologische roman over een driehoeksverhouding, The Belfry (1916). Daarin proberen twee journalisten dezelfde vrouw te veroveren; Sinclair beschrijft hun wedijver met humor, verwijzend naar hun familie- en oorlogsachtergrond. De titel verwijst naar het Brugse belfort, waarvoor de echte hoofdrol is weggelegd. Een romantische liefdesscene speelt zich echter af in een Gents hotel, aan de “Place d’Armes”. Uit Sinclairs oorlogsjournaal weten we dat het gaat om het Hôtel de la Poste aan de Kouter, met zijn sierlijke interieur en bijna magische glaspartij in de traphal.
In het derde deel van de roman zet de hoofdpersoon Jimmy Jevons zich met een zelf opgericht ambulancekorps in aan het Belgische front tijdens WO I, ook in en om Gent; een ervaring die Sinclair in haar twee jaar eerder verschenen oorlogsdagboek al uitgebreid in alle aspecten had beschreven. De conclusie van oorlogscorrespondent Walter over zijn liefdesopponent Jevons zegt méér over die oorlog dan over diens persoonlijkheid: 
“I might have said, like Viola, that to me Ghent was Jevons, and Belgium was Jevons, and the war was Jevons. (…) the three weeks when Jimmy was in it (…) stand out in my memory before the battles of the Aisne and Marne and the long fight for Calais.” 

[Jean-Paul den Haerynck]

Over May Sinclair