terug naar index
SOUTHEY, Robert

(Bristol/Gloucestershire, Groot-Brittannië, 12.08.1774 - Keswick/Cumberland, 21.03.1843) 

Engels romantisch dichter, letterkundige en reiziger. Zijn familienaam werd soms gespeld als Southy en hij schreef ook onder het pseudoniem Don Manuel Alvarez Espriella. Hij groeide op in de regio Bath en volgde zijn opleiding in Westminster School (1788-1792), waar hij al publiceerde in de schoolkrant The Flagellant. Later studie in Balliol College, Oxford, waar hij de ideeën van de Franse revolutie verwerkte in zijn vroege epische gedicht Joan of Arc (1796). Hij maakte er kennis met de dichters Samuel Taylor Coleridge – die later zijn zwager zou worden en met wie hij The Fall of Robespierre schreef – en met Robert Lovell, met wie hij in 1795 de gemeenschappelijke bundel Poems uitgaf. De drie verzamelden met hun werk ook fondsen voor het opzetten van een utopische kolonie in de V.S., uiteindelijk slechts kortstondig gerealiseerd in Wales.

Southey woonde eerst met zijn vrouw in Bristol, na een korte onderbreking in dienst van zijn oom in Portugal, waar hij onder meer de cyclus Thalaba the Destroyer (1801) schreef. Tot 1806 ontving hij een stipendium van zijn vriend Wynn. Later woonde hij met zijn gezin samen met de familie Coleridge en weduwe Lovell in Greta Hall in Keswick in het Lake District, waar hij ook een omvangrijke en unieke bibliotheek verzamelde. Hij redigeerde het werk van Thomas Chatterton en had grote bewondering voor William Wordsworth. Zijn vriendschap met Coleridge deed ook na diens vertrek geen afbreuk aan zijn haast grenzeloze gastvrijheid voor de vrienden en vreemden die de Lake poets bezochten.

In 1807 publiceerde Southey onder het pseudoniem Don Manuel Alvarez Espriella het reisverslag Letters from England, volgens kenners de nauwkeurigste typering van Engeland begin negentiende eeuw. Later volgden impressies van verkenningstochten met zijn vriend-ingenieur John Rickman in de Schotse hooglanden en van reizen naar de Nederlanden (zie onder). Southey geraakte er bevriend met de Nederlandse dichter Willem Bilderdijk, die hij tweemaal bezocht in Leiden in de jaren 1824-1826.

Southey’s werk wisselde tussen epische poëzie zoals Madoc (over de mythische Welshe prins, 1805) of Roderick, the last of the Goths (1814) en historische werken als History of Portugal (onvoltooid) of Authentic memoirs of our late venerable and beloved monarch, George the Third (1820). Ook verschenen geregeld bijdragen van hem in de Tory Quarterly Review. De controverse rond zijn werk en persoon groeide na heftige kritiek van William Hazlitt op het republikeins gedicht ‘Wat Tyler’ en van Lord Byron op Vision of Judgment (1821).
Southey evolueerde tot aartsconservatief; hij verzette zich tegen parlementaire herstructurering en tegen emancipatie, bekritiseerde de beginnende industrialisering, maar protesteerde anderzijds ook tegen kinderarbeid en ijverde voor algemeen onderwijs. Zijn wereldvisie was echter allesbehalve open: “violently Tory, narrowly Protestant, defiantly English” ridiculiseerde Lord Byron hem.

Southey verliet Greta Hall in 1837 na het verlies van zijn vrouw en twee kinderen, en na de huwelijken van zijn dochter Edith en van Sara Coleridge. Hij bereisde het Europese continent in het gezelschap van Henry Crabb Robinson, hertrouwde in 1839 met dichteres Caroline Bowles en stierf in 1843.

Zijn creatieve werk, waaronder tien delen Collected verse en zo’n 40 banden prozawerk, worden weinig belangrijk geacht. Het bekendst bleven The Poet’s Pilgrimage (1816, zie onder) en enkele balladen voor de jeugd, zoals “After Blenheim” (1798, vroeg anti-oorlogsgedicht), het sprookje The Story of the Three Bears (Goudlokje) en het wiegeliedje “What are Little Boys Made Of”.
Southey was vooral een elegant en meesterlijk prozaschrijver, in zijn brieven en in werken als The Doctor, maar bovenal in zijn historische biografieën, waaronder Life of Nelson (1813, verfilmd 1926), Life of Cromwell (1821) en Thomas More (1829).
Hij werd in 1813 voor het leven tot Poet-Laureate (Dichter des Vaderlands) benoemd, nadat Sir Walter Scott bedankte voor de eer. De Crosthwaite Church in Keswick richtte voor hem een grafmonument op, met een inscriptie door William Wordsworth.

R. Southey en Gent

Tijdens zijn eerste reis over het Europese vasteland in de herfst van 1815 voelde Southey zich moreel verplicht het slagveld van Waterloo te bezoeken. Hij sprak zich uit over het waardenloos patriottisme en de vreugdeloze triomf en hoop, de idolatrie en de soms goedkope sentimentaliteit in veel van de Waterlooliteratuur. Zijn verhalend gedicht The Poets’ Pilgrimage to Waterloo bevat een passage over Gent en de barge Brugge-Gent. 

In tegenstelling tot het hoofdzakelijk allegorische tweede deel, beschrijft het eerste deel “The Journey” op erg realistische wijze de reis naar Waterloo. Die ging door Vlaanderen, met de “Trekschuit” naar Gent en verder over land naar Brussel. Daarbij wijdde Southey enkele strofes aan het “florerende” platteland in de buurt van Gent en aan de ruchtbaarheid van Klokke Roeland en het stille leven van de begijntjes. Criticus Edmund Gosse noemde het gedicht, dat onmiddellijk na de reis gepubliceerd werd, ondermaats tegenover het latere reisdagboek Journal of a Tour in the Netherlands in the Autumn of 1815 (1902). Southey zelf overtuigde zijn vriend Henry Tailor om van alle Grand Tour-vooroordelen af te zien en met hem mee te reizen naar de Nederlanden: “It is a marvellous country in itself, in its history, and in the men and works which it has produced. The very existence of the country is at once a natural and a moral  phenomenon.

Volgens dat reisjournaal arriveerde Southey in Oostende op 23 september 1815 en bezocht hij heel wat Vlaamse en Waalse steden. Hij was op de heenreis op 26 en 27 september in Gent, op de thuisreis op 23 oktober 1815. Zeer levendig beschreef hij zijn inscheping op de barge en zijn aankomst op 25 september in Gent. Ook de tocht naar het “Hotel de Flandres” en de opinie van de Gentse waard over Lodewijk XVIII en over de Prins van Oranje werden nauwkeurig verhaald. Daarna volgden beschrijvingen van zijn bezoek aan de Sint-Baafskathedraal (vooral de crypte) en de Sint-Jacobskerk, zijn impressies van de meer dan driehonderd bruggen, het “verbeteringshuis”, de vensterspionnetjes, de hoefsmeden, de paarden en de honden en waartoe dat alles diende.
Op de tweede dag van zijn verblijf in Gent bezocht hij het belfort, het stadhuis en het Sint-Elizabeth-begijnhof, dat hij erg uitvoerig beschreef. Ook de openbare bibliotheek, tijdelijk gevestigd in de Sint-Annakerk, boekhandel G. de Busscher et fils aan de Kalandenberg en de schouwburg bleken uitgelezen oorden van geluk of verveling. Verder wijdde hij opmerkelijke woorden aan het zomerhuis in de stad, maar ook de riolen en mestgeur, de bedrijvigheid, de armoede, het kleuren van meubels, of het gevaar van oesters eten.

Op donderdag 28 september verliet hij Gent, blijkbaar in volle kermis. Omdat de overzet over de Schelde moeilijkheden opleverde, reisde het Engelse gezelschap met twee koetsen via Aalst naar Brussel. Op de thuisreis deed hij Gent opnieuw aan, maar beschreef enkel het memorabele gesprek met een Franse Bonapartehater bij het avondmaal in hetzelfde Gentse Hotel de Flandres.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over R. Southey