terug naar index
Tavernier, Lieven

(Gent, 11.07.1947- ) 

Auteur van een novelle, van cursiefjes, recensies en liederteksten, ook kleinkunstzanger.
Lager onderwijs genoot hij in Michelbeke en in Brasschaat; de Grieks-Latijnse humaniora volgde hij in Kortrijk. Van 1966 tot 1971 studeerde hij Germaanse Filologie aan de Gentse universiteit, studies die hij afrondde met de eindverhandeling Sociale stellingname over Gentse arbeidersliederen.
Onmiddellijk na zijn afstuderen werd hij leraar in de Gentse middelbare school, de kunsthumaniora Sint Lucas. Later ging hij over naar de Sint Lucas hogeschool, waar hij nu nog lesgeeft. 

Zijn eerste geschriften doken op in 1969 in het legendarische Tliedboek : kritisch tijdschrift voor aktuele muziek, waarvan hij één van de bezielers bleef. Hij deed er verslag van festivals, besprak er nieuwe grammofoonplaten en publiceerde er een van zijn eerste liedjesteksten, het politiek protestlied  Limburg ‘70 (mei 1970).
In het studententijdschrift Campus : informatie-weekblad voor studenten aan de RUG  publiceerde hij columns onder de titel Tlieverdje en later recenseerde hij boeken in de krant De Morgen. 

Op literair gebied kan men hem bezwaarlijk een veelschrijver noemen. Hij debuteerde met de novelle Over water (1986). In Een bijzonder kind (1992) bundelde hij een reeks columns die hij had gebracht voor het Radio 1-programma Het Vermoeden. In 1989 publiceerde hij, samen met Doreen Gaublomme, de ruim gedocumenteerde catalogus voor een tentoonstelling Jean Ray of de werkelijkheid voorbij een stad.
Als liedjesschrijver/zanger bracht hij meerdere cd’s uit. Zijn bekendste “Gentse” lied is ongetwijfeld De fanfare van honger en dorst.

L. Tavernier en Gent

Tot in 1969 woonde hij in de Mageleinestraat in Gent. Dan verhuisde hij met zijn ouders naar Destelbergen. Zelf kwam hij in 1971 terug naar Gent en vestigde hij zich achtereenvolgens aan de Leiekaai, de hoek Posteernestraat/Onderbergen en de hoek Ramen/Burgstraat. In 1975 trok hij naar Zevergem en later naar Merelbeke waar hij nog woont.  

Zijn novelle Over water speelt zich af in Gent. Het water dat in de vorige eeuw grotendeels werd overwelfd, gaf lange tijd een onheilspellende, benauwende sfeer aan de stad, wat veel schrijvers en beeldende kunstenaars (o.m. Jean Ray, Franz Hellens, Maurice Maeterlinck, Karel van de Woestijne, Albert Baertsoen, Jules De Bruycker e.a.) ertoe aanzette, de stad te ontvluchten. Ook de ik-figuur in het verhaal verlaat te stad om zich op een zolderkamer bij een oude gravin te bezinnen over “de vrienden van vroeger”. Voor het manuscript van deze novelle kreeg Tavernier in 1983 de literaire prijs van de stad Gent en in 1986 de August Beeraertprijs van Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Pas in 1991 kwamen Taverniers liedjesteksten in de publieke belangstelling, door toedoen van de zanger Jan de Wilde die drie liedjes van hem (Eerste sneeuw, De verdwenen karavaan en De fanfare van honger en dorst) zong en op zijn (De Wildes) CD Héhé (1990) opnam. De Fanfare... gaf zeer beknopt thema’s aan die ook terug te vinden zijn in Over water. Het werd wel eens “het nieuwe stadslied van Gent” genoemd. 

[Walter Fagot]

Over L. Tavernier: