terug naar index
Teirlinck, Herman

(St.-Jans-Molenbeek, 24.02.1879 - Beersel, 04.02.1967)

Achtereenvolgens ambtenaar, directeur van een meubelfabriek en leraar, persoonlijk raadgever van koning Albert I. Hij schreef poëzie, proza, toneel en essays.
Teirlinck was betrokken bij meerdere Vlaamse  tijdschriften. Zo was hij in 1903 medestichter van Vlaanderen, werkte hij vanaf 1898 mee aan het spraakmakende Van Nu en Straks, nam hij in 1929 de leiding van Vandaag op zich en was hij van bij de stichting (tot 1967) directeur van het Nieuw Vlaams tijdschrift.
Bovendien was hij de veelzijdige auteur van poëzie, proza, toneel en essays.  Afwisselend beoefende hij het impressionisme, het realisme, het expressionisme en het vitalisme.
In zijn oeuvre zijn drie perioden te onderscheiden. Het decadente Mijnheer J.B. Serjanszoon, orator didacticus (1908) was het hoogtepunt van zijn jeugdwerk. Met o.m. De vertraagde film (1922) en De man zonder lijf (1925) volgden zijn expressionistische toneelexperimenten; voor beide werken werd hem de driejaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse toneelletterkunde toegekend. Daarna schreef hij vitalistisch proza, o.m. in Maria Speermalie (1940) en Het gevecht met de engel (1952).
In 1950 werd hij nog onderscheiden met de Belgische vijfjaarlijkse staatsprijs voor een geheel oeuvre en in 1956 genoot hij de eer, de eerste laureaat te zijn van Belgisch-Nederlandse grote (oeuvre)prijs der Nederlandse letteren.
In 1946 richtte hij te Antwerpen het Nationaal Toneel op, later bekend als Studio Herman Teirlinck

H. Teirlinck en Gent

Hij studeerde in 1900 Germaanse filologie aan de Gentse universiteit maar brak deze studies af.
Zijn eerste verhaal, Winterhistorieken, verscheen hetzelfde jaar in de Gentse studentenalmanak ’t Zal wel gaan.
In het Patershol trok Teirlinck op met typograaf en kunstschilder Juul de Praetere die zijn (Teirlincks) bundel Verzen (1900) met de hand drukte. Literair belangrijker was zijn vriendschap met de Gentenaar
Karel van de Woestijne, die ook tot de groep Van Nu en Straks behoorde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schreven zij samen De leemen torens : vooroorlogsche kroniek van twee steden (1928).
Deze brievenroman speelt zich af tijdens de Belle Époque te Brussel en te Gent. Teirlinck beschreef Brussel en Van de Woestijne Gent. Volgens Teirlinck portretteerde Van de Woestijne de Gentenaars in zijn brieven als “... strijdende en lijdende menschen, met hun lach en hunne tranen, met hun geweld en hunne moeheid, met hun groeien en vergaan” (zie Teirlincks brief dd. 29 september 1913).

[Martin Hendrickx]

Over H. Teirlinck: