terug naar index
Thackeray, William Makepeace

(Calcutta, 18.07.1811 - Londen, 24.12.1863) 

Engels romanschrijver wiens naam vaak samen met die van Charles Dickens wordt genoemd.
Beide auteurs moesten leven van hun pen en combineerden het romanschrijven met redactiewerk bij tijdschriften. Terwijl Dickens zichzelf van armoede naar rijkdom schreef, legde Thackeray zich pas echt op het schrijven toe toen hij zijn erfenis was kwijtgespeeld, en waar Dickens sentimenteel is, vindt men bij Thackeray vaak scherpe humor en satire. Hij stak niet alleen graag de draak met de “snobs” rond hem (met name in The Book of Snobs, 1848), ook zijn eigen schrijverschap bekeek hij met een gezonde dosis ironie. Naast het beeld van een “grillige”, “slordige” en “gemakzuchtige” Thackeray – beeld dat door Anthony Trollopes biografie Thackeray (1879) ingang heeft gevonden – is er ook dat van de vrije geest die de vaste Victoriaanse waarden in vraag stelde en meesterwerken schreef als The Luck of Barry Lyndon (1844), Vanity Fair (1847), The History of Arthur Pendennis (1848), The History of Henry Esmond (1852) en The Newcomes (1853-55). 

Veel van zijn (om den brode geschreven) tijdschriftartikelen publiceerde hij onder een pseudoniem. Niet minder dan 53 van dergelijke pseudoniemen zijn gekend, zo o.m. George Savage Fitzboodle, Michael Angelo Titmarsh en Major Gahagan. Het is niet duidelijk of Thackeray met zijn schuilnamen  werkelijk de anonimiteit opzocht, dan wel of het hem meer om een narratief spel was te doen. De techniek lijkt er in elk geval voor gezorgd te hebben dat ook in zijn later werk de personen van auteur en verteller vaak niet samenvallen; de verteller werd een personage op zich, met eigen karakterfoutjes en onbetrouwbaarheden.  

Thackeray in Gent 

Als buitenlandcorrespondent Titmarsh ging Thackeray door voor een man van de middenklasse – “a potato compared with the gentry-tulips”. Titmarsh duikt niet enkel op in de lage landen maar heeft ook o.a. The Paris Sketch Book (1840), The Irish Sketch Book (1843), A Legend of the Rhine (1845) en Notes of a Journey from Cornhill to Grand Cairo (1846) op zijn naam. 

Met Little Travels and Road-Side Sketches (mei 1844-januari 1845), een serie voor het tijdschrift Fraser’s, deed Thackeray als Mr. Titmarsh verslag van zijn reis naar Nederland en België in augustus 1840. Hij scherpte zijn pen onder meer in Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge en Waterloo. Het zou overigens niet zijn enige bezoek aan België zijn en Brussel, Gent en Brugge zouden later weer opduiken in Vanity Fair 

In Little Travels beschrijft hij een wandeling door Gent waarvan het verslag in oktober 1844 in Fraser’s verscheen. De wandeling begint in “een van de grootste bezienswaardigheden van Europa”, het Klein Begijnhof. De keurige begijnen laten een gunstige indruk op hem na maar de kerken en “hun afschuwelijk vertoon van gefolterde lichamen” maken hem bijna ziek. Wanneer hij het begijnhof verlaat, ontdekt hij een stad die de indruk nalaat van “een Venetië van lager allooi” met lawaaierige straten en meer bierhuizen dan waar ook. Een pauze in een koffiehuis geeft de verteller de kans zich druk te maken over de Franse en Belgische kranten die hij er aantreft. “De Belgen praten de Fransen uiteraard naar de mond.” Als er al waarheden in een Gentse krant staan, zijn die afkomstig uit “welingelichte Engelse bron.” Toch grijpt Thackeray zijn verblijf in Gent ook aan om de Britten in hun hemd te zetten. Het vooroordeel dat de Britten in België en Frankrijk gehaat worden om hun militaire overmacht, lacht Titmarsh weg. De schuld voor die vreemdelingenhaat ligt volgens hem bij de Britten zelf: “omdat jullie zo stom zijn, zo moeilijk, en onuitstaanbaar onbeschaamd, en omdat jullie je zo aanstellen.” Terug bij Gent, besluit de correspondent zijn overpeinzingen in het nadeel van de stad. Hoewel best charmant, kan Gent hem geen schoonheid bieden: Titmarsh heeft er geen enkele mooie vrouw en geen een waardevol kunstwerk gezien.

[Sarah Posman]

Over  W.M. Thackeray: