terug naar index
Torrentius, Laevinus

(Gent, 08.03.1525 - Brussel, 08.04.1595)  

Verlatijnste naam van Lieven van der Beke, humanistische geleerde, tweede bisschop van Antwerpen, ook beschouwd als één van de belangrijkste neolatijnse dichters uit onze gewesten.
Hij stamde uit een oud en rijk geslacht van gestudeerden. Zijn vader was meermaals schepen van de stad Gent; hijzelf was de oom van Andreas Papius (zie aldaar).
Laevinus volgde lager onderwijs in Gent waar hij ook de tonsuur kreeg (kruinschering met het oog op later priesterschap). Op 15-jarige leeftijd begon hij studies filosofie, klassieke talen en rechten aan de Leuvense universiteit. Nadien studeerde hij verder in Parijs, Padua, Bologna en Rome.
In 1557 keerde hij terug uit Italië en vestigde hij zich in het bisdom Luik, waar hij uiteindelijk vicaris-generaal werd. In 1576 stelde Filips II van Spanje hem aan als bisschop van Antwerpen, functie die hij echter pas in 1587 effectief zou opnemen. 

Naast studies over de Romeinse biograaf Gaius Suetonius Tranquillus (gepubliceerd in 1578) en over de eveneens Romeinse dichter Quintus Horatius Flaccus (postuum gepubliceerd in 1908), is Poemata sacra Torrentius’ meest gekende literaire werk. Het werd uitgegeven in 1572, vermeerderde uitgaven verschenen in 1575, 1579 en 1594. Het werk bevat drie soorten gedichten: (1) religieuze hymnen, lofliederen, (2) gedichten over gebeurtenissen in de 16de eeuw en (3) odes aan zijn beschermheren en aan vrienden. In het tweede gedeelte komt een gedicht voor waarin hij in felle bewoordingen de moord op Willem van Oranje (in 1584) verrechtvaardigde. 

Torrentius was beschermheer van andere belangrijke humanisten en geleerden zoals Christoffel Plantijn, Carolus Langius (zie aldaar) en Justus Lipsius. Zijn leven lang was hij bovendien de weldoener en de verdediger van de jezuïeten die hij o.m. steunde in hun dogmatisch-religieuze geschillen met de overheden van de Leuvense universiteit.    

Louter uit wetenschappelijke bedoelingen was hij een fervent verzamelaar van boeken, oude munten en vazen. In 1573 vulde hij zijn aanzienlijke collectie nog aan door het kopen van de eveneens rijke collectie van zijn Gentse vriend, de reeds genoemde Langius. Later zou Torrentius zijn gehele bezit, inclusief zijn impostante bibliotheek, bij legaat overmaken aan de jezuïeten. In 1773, toen paus Clemens XIV de orde verbood (verbod dat tot 1814 zou gelden), werd zijn verzameling door de Oostenrijkse overheden geconfisceerd (verbeurdverklaard) en raakte ze verspreid. Zijn collectie munten bleef intact tot ze in 1812 bij opbod werd verkocht in een roepzaal in de Gentse Korte Dagsteeg. De catalogus van deze verkoop (5.455 nummers) kan men nog raadplegen in de Gentse universiteitsbibliotheek. 

Poematica sacra vestigde Torrentius’ reputatie als dichter. Zijn tijdgenoten Daniel Heinsius en Justus Lipsius noemden hem “een meester, groot onder de groten”. Tot op onze dagen worden nog steeds studies (en in 1995 een tentoonstelling) aan hem gewijd, zij het dat daarin grotendeels zijn religieuze loopbaan op de voorgrond stond. 

[Frans Heymans]

Over Torrentius: