terug naar index
Ungaretti, Giuseppe

(Alexandrië, 10.02.1888 - Milaan, 03.06.1970) 

Italiaanse academicus, dichter, prozaïst en vertaler. In 1911 belandde hij in Parijs en studeerde er aan het Collège de France en de Sorbonne. Hij maakte er kennis met modernisten als Guillaume Apollinaire, Blaise Cendrars en Tristan Tzara. In zijn poëzie zou hij steeds blijven refereren aan Franse invloeden. Niettemin had hij, futurist en “hermetist”, lak aan metriek en poëtische conventies en achtte hij vooral de spontaneïteit belangrijk.
Hij werkte mee aan het tijdschrift Lacerba van de Italiaanse futuristen en later ook aan het Franse Litérature, dat het dadaïsme hoog in het vaandel voerde. In 1916 werden Ungaretti’s gedichten in Italië voor het eerst gepubliceerd. Zijn kortste en wellicht bekendste gedicht luidt: M’illumino/d’immenso. Al snel groeide hij uit tot een van de belangrijkste Italiaanse dichters, samen met Eugenio Montale, Salvatore Quasimodo en Umberto Saba.
Als vrijwilliger en “interventionist” nam hij deel aan de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog verzeilde hij in het vaarwater van Benito Mussolini. Een herdruk van zijn eerste dichtbundel Il porto sepolto (1916) verscheen in 1923 zelfs met een voorwoord van de Italiaanse fascist.
Tussen 1931 en 1935 zwierf Ungaretti door Europa. Uit deze reizen vloeiden een aantal artikelen over allerlei steden voort, gepubliceerd in de Gazetta del Populo. In 1933 bezocht hij Vlaanderen en Nederland. Daarin noteerde hij onder meer: “Vlaanderen, met zijn steden, met zijn dorpen waarmee het zich als een konijn heeft vermenigvuldigd, is de meest afwisselende streek ter wereld”. Naast onder meer Antwerpen, Oostende, Lissewege en Damme, komt Gent in deze artikelen uitgebreid aan bod.
In 1949 bundelde hij zijn laaglandse reisimpressies in Il povero nella città (= De arme in de stad). 

G. Ungaretti en Gent: “ruwe stenen” en “geduld” 

In augustus 1933 bezocht hij Gent. Zijn uitgebreid proza over deze stad verscheen in de Gazetta del Populo van 10 augustus 1933 onder de titel Mensen en stenen van Gent. Het werd in 1949 gepubliceerd in het deel Fiandre e Olanda (= Vlaanderen en Holland) van Il povero nella città (1949) dat werd herdrukt in Il deserto dil dopo (1961). 

Hij werd in Gent rondgeleid door zijn vriend, de avantgardistische en door het surrealisme beïnvloede Franstalige schrijver Franz Hellens (1881-1972) die tussen 1894 tot 1896 in Gent woonde en die Gent altijd als de bakermat van zijn oeuvre bleef beschouwen (zie lemma over Hellens). 

Ungaretti was vol van de stad. Volstrekt lyrisch poogde hij er de ziel van bloot te leggen met een echte hoorn des overvloeds van woorden. Hij was geïmponeerd door de manier waarop de oude torens er zich lieten omringen door de symbolen van de industrialisering. De Italiaanse dichter toonde zich danig gefascineerd door de confrontatie van het Gentse oude middeleeuwse karakter en de duimafdrukken die de industriële vooruitgang achterliet. Gent telde op dat moment zo’n 5.000 bedrijven. En al was de bloei van de textielnijverheid toen al behoorlijk getaand, haar bouwwerken waren alomtegenwoordig in het stadsbeeld.
Enig gevoel voor overdrijving kan Ungaretti niet ontzegd worden. De eenvoudigste elementen romantiseert hij: “Had ik niet gezegd dat Gent zichzelf trouw blijft?” Ook benadrukte hij het feit dat Gentenaars vrijheidsminnaars zijn. De stad heeft zich voortdurend van allerlei knellende banden en heerschappijen moeten bevrijden: “In het gedeelte van Gent dat de Kuip genoemd wordt, en waar je alle oude stenen bij elkaar vindt, merk je goed dat de stad uit geweld is ontstaan. Geweld en geduld. Een geweld dat zich intoomt, een geweld dat zich pantsert, dat stenen opricht die de eeuwen trotseren, die alles trotseren.” Ook heeft hij het regelmatig over het “zwijgzame en tegelijk luidruchtige Gent van de oude stenen.”
De slotsequens van zijn verslag lijkt dan weer beïnvloed door het beeld dat zovele Gentse schrijvers, waaronder Franz Hellens en Karel Van de Woestijne, van de nachtelijke stad hebben opgehangen: “Met al zijn geledingen treedt Gent het duister binnen van de twee rivieren en de twee kanalen die het bij elkaar houden. Nu is het nog slechts de stad van de zesentwintig sluimerende eilandjes vol hersenschimmen.” 

[Dirk Leyman]

Over G. Ungaretti: