terug naar index
Van de Woestijne, Karel

(Gent, 10.03.1878 - Zwijnaarde, 24.08.1929) 

Dichter, prozaschrijver, criticus en journalist. Hij is de enige echte vertegenwoordiger van het symbolisme in Vlaanderen. Zijn debuutbundel Het vader-huis (1903) is het begin van wat hij zelf een “symbolistische autobiografie” noemde: elk gedicht is de uitdrukking van bepaalde gevoelens of indrukken. In latere bundels wordt dit weemoedige symbolisme barokker. De gedichten uit de trilogie De modderen man (1920), God aan zee (1926) en Het berg-meer (1928) krijgen een toenemende transcendente, mystieke inhoud. De trilogie verscheen in 1942 onder de overkoepelende titel Wiekslag om de kim 

Van de Woestijne was niet de ivoren torendichter waarvoor hij vaak versleten werd. Als correspondent in Brussel van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) volgde hij van 1906 tot 1929 de politieke en culturele actualiteit in België. Zijn verzameld journalistiek werk uit die krant beslaat vijftien delen (uitgegeven 1986-1995). Hoezeer zijn oeuvre verbonden was met zijn omgeving, blijkt vooral uit zijn proza. Afwisselend is het gesitueerd in de stad (Gent, Brussel, Oostende) of op het platteland, vooral Sint-Martens-Latem waar hij woonde van april 1900 tot februari 1904 en nog eens van mei 1905 tot oktober 1906. Een aantal gedichten uit de bundels De boom-gaard der vogelen en der vruchten (1905) en De gulden schaduw (1910) bezingen het Leielandschap. 

Voor zijn Interludiën werd hem zowel de August Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (werken gepubliceerd in de periode 1912-1913) als de grote driejaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde (periode 1910-1914) toegekend. Voor zijn Zon in de rug viel hem de jaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde (periode 1924-1925) te beurt. Postuum werd hem in 1930 de vijfjaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse letterkunde toegekend. 

K. van de Woestijne en Gent 

Karel van de Woestijne werd geboren in de Sint-Lievensstraat (nu: Sint-Lievenspoortstraat), een “breede, ledige, bleke straat” zoals zij heet in het verhaal Paidia, dat zijn vroegste kindsheidherinneringen bevat. Aan dit geboortehuis werd een gedenkplaat aangebracht.
Zijn vader had in de jaren 1880 een koperslagerij in de Slijpstraat. Een tekstplaat met een portretmedaillon en een citaat uit Het vader-huis herinneren daaraan.
Lager onderwijs liep hij in de Franstalige privé-school “Institut Central”, waar ook Maurice Maeterlinck was geweest. Deze school was gelegen in een van de straatjes die later voor het Sint-Baafsplein werden geruimd. Hij kreeg tevens huisonderricht van de dichter-onderwijzer Pol Anri (1865-1953). Vanaf oktober 1889 bezocht hij het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht, eerst de Moderne Humaniora en vanaf het schooljaar 1893-1894 de Grieks-Latijnse. Hij was er actief in de Vlaamsgezinde leerlingenkring De Heremans’ Zonen. In die tijd dweepte hij ook met het anarchisme. Zijn studies maakte hij niet af. In 1897 en in 1898 zakte hij telkens voor de Centrale Examencommissie. Vanaf 1897 was hij aan de Gentse universiteit vrije student voor de lessen in de Germaanse filologie.
In 1896, toen hij kunstgeschiedenis aan de tekenacademie volgde, ontmoette hij schilder-decorateur Julius de Praetere (1879-1947). Deze had in het Patershol, in de Korte Kalverstege (nu Trommelstraat) een atelier, de voormalige bidkapel van het Pand van de Geschoeide Karmelieten. Daar ontmoette hij voor het eerst Jules de Bruycker. In een vroeg, door Maeterlinck beïnvloed “Fragment” (1898) legde hij de atmosfeer van het atelier prachtig vast. 

Al jong publiceerde Van de Woestijne in vele tijdschriften, zo o.m. in het Gentse pedagogische tijdschrift Land en volk van Anri en in het maandblad Neerlandia van Hippoliet Meert (1865-1924). Later werkte hij sporadisch mee aan het Franstalige blad La tribune artistique (1903-1907) en aan Nieuw Leven (1907-1910). Vanaf het seizoen 1899-1900 schreef hij regelmatig voor het Gentse theaterblad Het Tooneel (1899-1902). In de pas voltooide Nederlandse Schouwburg wisselde hij de eerste blikken met zijn aanstaande vrouw Mariette Van Hende. Toen Het tooneel midden 1902 veranderde in Het Kunstblad, werd zijn vriend Adolf Herckenrath (aan wie hij De Laethemsche brieven over de Lente uit 1901 had opgedragen) redacteur. Tijdens zijn lange vrijage kwamen de vrienden op zondag samen op de Kouter, voor de Hoofdwacht (nu: Handelsbeurs), of in hôtel Tivoli (Vlaanderenstraat). Kwamen vrienden naar Latem, dan sprak hij met hen af in gasthof de Nénuphar in Afsnee (nu een restaurant).
Na zijn huwelijk op 13 februari 1904 vestigde hij zich in Sint-Amandsberg, in de Prins Albertstraat. Om gezondheidsredenen keerde hij met vrouw en zoon Paul terug naar Latem. Wegens Karels werk als journalist trokken zij naar Brussel. Op 31 augustus 1920 werd hij benoemd tot docent Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit Gent. Het gezin verhuisde naar Oostende. Omdat de treinreizen naar Gent steeds zwaarder gingen wegen, keerde de “bestendige verhuizer” ­– zoals Karel Jonckheere hem noemde – terug naar het Gentse, meer bepaald naar Zwijnaarde, waar het gezin woonde in Villa la Frondraie aan de Oude IJzerenweg (nu Leebeekstraat). Daar overleed hij kort nadat zijn vijftigste verjaardag met veel aandacht in kranten en tijdschriften was gevierd. Hij werd begraven op het Campo Santo (park F, kelder 117) in Sint-Amandsberg. In de buurt van de Sterre kreeg een straat zijn naam.  

Visie op Gent 

Van grote betekenis voor Van de Woestijnes visie op Gent zijn zijn opstellen over Gentse kunstenaars (George Minne, Théo van Rysselberghe, Jules de Bruycker en Albert Baertsoen) en Franstalige Gentse auteurs (Maurice Maeterlinck, Charles van Lerberghe en Franz Hellens). In het essay over de beeldhouwer Minne legt hij de Coupure vast, in dat over De Bruycker het Patershol en in dat over Baertsoen de Gentse wateren. De schilder Van Rijsselberghe identificeert hij met het beeld van de Man van het Belfort (nu bewaard in de crypte van het Belfort). In dit beeld, “gesloten en breed, ingetogen en uitdagend”, ziet hij het prototype van de Gentenaar, realiteitsbewust en strevend naar vrijheid.
Van de Woestijne meent dat de kunstenaars sterk bepaald zijn door hun milieu en “overerving”. De Gentenaar zou gekenmerkt zijn door “rauwe norschheid” en “zelfgelokenheid”. De stad drukt hem neer. Een tweede karaktertrek van de Gentenaar zou zijn vrijheidsdrang zijn. Vooral de kunstenaars proberen aan de te neerdrukkende sfeer te ontsnappen. Van de Woestijne zelf had ook die evasiedrang, zoals blijkt uit zijn verblijf in Latem. Deze paradijselijke tijd, al verheerlijkt in een opstel over Albijn van den Abeele uit 1904, werd nog eens vastgelegd in de brievenroman De leemen torens, die hij samen met Herman Teirlinck tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef en die in 1928 werd gepubliceerd.  

Een grote Gentse kroniek 

De leemen torens, een “vooroorlogsche kroniek van twee steden”, is een sleutelroman met allerlei herkenbare of halfherkenbare figuren, zoals Anseele (Van Aerseele) en de satirisch beschreven Paul Fredericq (professor Hoeck). Om deze roman goed te begrijpen gebruikt men best de aantekeningen bij deel vijf van het Verzameld werk van Herman Teirlinck. Superieur zijn Van de Woestijnes beschrijvingen van een volksbal op de Kouter, een meeting in het Circus, het restaurant naast de Fransche Schouwburg (nu Vlaamse opera) en het halfvastenbal daar, de “rozendag” op de Wereldtentoonstelling van 1913 en de afbraak van de tentoonstelling. Aan de Gentse world’s fair wijdde hij ook vele interessante bladzijden in de NRC
Andere in het boek kort beschreven of vermelde Gentse plaatsen zijn de weg naar het Galgenhuizeken, het terras van café de Arcades (hoek Vogelmarkt en Kouter), hôtel Ganda (in de Brabantdam), de Nénuphar en de “guinguette” (buitenherberg) het Patijntje, waar het altijd vol is “zelfs ’s winters, met studenten en hunne meisjes”. Bijzonder is ook Van de Woestijnes beschrijving van het interieur van een breiwinkeltje (vermoedelijk het ouderlijk huis van Jules de Praetere in de Burgstraat) en van het Spiegelhof, “een voormalige danszaal, thans niet veel beter dan puin, vlak over de grootste weverij der stad gelegen”. De tocht naar en terug van de Nieuwe Wandeling, waar deze zaal vlak bij de weverij La Lys lag, levert lyrische bladzijden op waarin stad en platteland tegenover elkaar staan.
De sombere stad met haar zwarte kanalen die Van de Woestijne hier en elders schetst, herinnert sterk aan Franz Hellens’ En ville morte (1906). Van de Woestijne had een voorkeur voor het morbide en in het bijzonder voor het armoedige Patershol, waar het Gravensteen bovenuit rijst. Zijn fascinatie voor deze wijk en de burcht komt ook naar voren in zijn journalistiek werk. In alweer De leemen torens brengt hij het Patershol echter het meest kernachtig tot leven. Het ruige ervan bond hem aan een stad waarvan het provinciale karakter hem maar al te bewust was.

[Hans Vandevoorde]

Over K. van de Woestijne: