terug naar index
Van Duyse, Prudens

(Dendermonde, 17.09.1804 - Gent, 13.11.1859) 

Prudens van Duyse was een prominent vertegenwoordiger van de generatie schrijvers die na 1830 de Vlaamse literatuur gestalte heeft gegeven. Hij was een uitzonderlijk productief dichter, filoloog, historicus, vertaler, improvisator en componist (het gekende lied Het loze vissertje is bijvoorbeeld van zijn hand). Wat aantal publicaties, beoefende genres en gebruikte talen betreft, werd hij door geen enkele tijdgenoot geëvenaard.
Voor zijn romantische, naar vorm classicistische poëzie werd hij bovendien tientallen malen bekroond in plaatselijke rederijkerswedstrijden (toen een gangbare praktijk). De Brusselse Koninklijke Academie van Wetenschappen en Fraeye Kunsten onderscheidde hem in 1838 voor zijn De Gentsche vaderbeul; voor Jacob van Artevelde en Nazomer (beide uit 1859) kreeg hij de vijfjaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse letterkunde. Hij was lid van de Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts.  

Na een jaar filosofie te hebben gestudeerd in Leuven, kwam hij in 1827 als 23-jarige voor de eerste maal naar Gent om er rechten te studeren, hoewel hij zich toen reeds hoofdzakelijk met de literatuur bezighield. In hetzelfde jaar werd zijn Lofzang op de Nederlandsche taal bekroond te Brussel en in 1829 verscheen zijn poëticaal manifest De wanorde en omwenteling op de Vlaemschen zangberg.
De eerste omwenteling in zijn leven was echter niet van literaire maar van staatkundige aard: na de Belgische Revolutie vertrok hij in oktober 1830 naar Nederland waar hij zijn debuutbundel Gedichten zou publiceren en literair-politieke bijdragen zou schrijven voor het Journal de La Haye. Geconfronteerd met de onherroepelijke scheiding van Noord en Zuid keerde hij in 1831 terug naar Gent en promoveerde er in 1832 tot doctor in de rechten. 

De volgende vier jaar zou hij opnieuw doorbrengen in Dendermonde. Als ambteloos burger – hij voerde de titel van ere-stadsarchivaris – publiceerde hij naast poëzie een groot aantal bijdragen over de geschiedenis van zijn geboortestad. In deze periode verbleef hij slechts gedurende enkele maanden te Gent: na incidenten bij de herdenking van de Belgische Omwenteling werd hij er verpleegd in de psychiatrische kliniek van Jozef Guislain. Zo ontsnapte hij, “uyt hoofde van krankzinnigheid”, aan gerechtelijke moeilijkheden. 

Van leraar tot archivaris 

In december 1836, na zijn benoeming tot leraar aan het atheneum, vestigde hij zich definitief in Gent, eerst in de Onderstraat, nadien in de Nederscheldestraat, vanaf januari 1843 aan de Garenmarkt en een jaar later in de Casinostraat. In maart 1852 registreerde de Bevolkingsdienst hem aan de Reep (of de Nederscheldekaai),  waar hij tot aan zijn dood woonde. 

Zijn leraarschap werd bij gebrek aan leidinggevende vaardigheden geen succes. Een jaar na zijn aanstelling verzochten de curatoren van het atheneum om zijn ontslag – maatregel die alleen dankzij protectie kon worden afgewend.
Na het overlijden van stadsarchivaris Charles Parmentier deed zich in 1838 een unieke kans voor: Van Duyse werd door de Gentse gemeenteraad benoemd tot diens opvolger zodat hij een functie kreeg die beter aan zijn talenten beantwoordde. Hij maakte zich verdienstelijk door een grondige reorganisatie van de in chaos verkerende instelling en door een actieve acquisitiepolitiek. Zijn publicatie (vanaf 1849) van de Inventaire analytique des chartes et documents appartenant aux archives de la ville de Gand vervulde in het binnen- en buitenlandse archiefwezen een voorbeeldfunctie.  

Het literaire leven 

Na zijn definitieve vestiging in Gent werd hij meteen opgenomen in de kring van de jonge Vlaamse letterkundigen. Bijna alle vertegenwoordigers van de heroplevende literatuur verbleven in de stad, zo o.m. Jan Frans Willems, Constant Philip Serrure, Ferdinand August Snellaert en Philip Blommaert.
Van Duyse publiceerde een nauwelijks overzienbare stroom literaire en historische bijdragen, waarin de stad Gent en een groot aantal bekende (en soms ook minder bekende) inwoners figureerden. Zo schreef hij gedichten op de volkshelden Cornelis Sneyssone (1842) en Jacob van Artevelde (1859), “jubelkransen” op tal van personen en plechtige gebeurtenissen, gedichten bij officiële gelegenheden zoals het aan de stad Gent opgedragen De invloed der ijzeren wegen op de nijverheid en de volksbeschaving (1837) of De feestgroet der stad Gent aen den koning (1856), studies over de regionale geschiedenis of de plaatselijke folklore, evenals verschillende biografieën en necrologieën van markante Gentenaars.
Hij werkte mee aan ongeveer alle toonaangevende tijdschriften uit de eerste helft van de negentiende eeuw, waarvan een groot aantal werd uitgegeven te Gent: de Gazette van Gent en de Bijdragen voor letteren, kunsten en wetenschappen, het Belgischm Museum, het Nederduitsch letterkundig jaarboekje, het Kunst- en letterblad, De eendragt, de Messager des sciences historiques en de Annales de la Société royale des beaux-arts et de littérature de Gand.
Daarnaast bezorgde hij ook edities van schrijvers uit het verleden én uit de eigen tijd, zoals het verzameld werk van Leo d’Hulster (1845) en het nagelaten werk van Jan Frans Willems (1856). Ten slotte liet hij in handschrift ook een Gents volkswoordenboek na. Voor een volledig overzicht van zijn werk wordt verwezen naar de bibliografie door Frans de Potter en de tiendelige editie van de Nagelaten gedichten (1882-1885).
Van Duyse was tijdens de jaren 1827-1832 en 1836-1859 niet weg te denken uit het literaire circuit te Gent. Hij onderhield relaties – overigens niet altijd even hartelijke – met alle tenoren van het toenmalige cultuurleven. 

De verenigingsman 

De ontwikkeling van dit omvattende oeuvre hangt nauw samen met een intense betrokkenheid bij het literair-cultureel verenigingsleven. Opnieuw is de lijst van activiteiten en lidmaatschappen te omvangrijk voor een uitputtend overzicht. Als voornaamste realisaties op Gents grondgebied kunnen gelden: de stichting in 1844 en het voorzitterschap van het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond, de organisatie van (het eerste) Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in 1849 en de oprichting in 1857 van De toekomst, tijdschrift dat de intellectuele ontwikkeling van de Vlaamse onderwijzers naar een hoger niveau wilde tillen. Stippen we hierbij ook aan dat de in 1836 gestichte Maetschappy voor Vlaemsche Letteroefening haar kenspreuk, “De tael is gansch het volk”, ontleende aan Van Duyses gedicht Aen België, meizang (1834).
Tot slot werd Van Duyse, die aan het begin van zijn loopbaan in het onderwijs had gefaald, in 1855 alsnog benoemd tot titularis van het vak vaderlandse geschiedenis aan de Gentse Académie royale de dessin, sculpture et architecture. 

Postuum eerbetoon 

Zijn uitvaartplechtigheid, met militair eerbetoon aan het sterfhuis op De Reep, werd door duizenden personen bijgewoond. Twee jaar later werd het stoffelijk overschot onder een praalgraf bijgezet op Campo Santo (park A, kelder 39).
De nalatenschap van Van Duyse – de handschriften van zijn werk, meer dan 4.000 onuitgegeven brieven en allerhande parafernalia (bv. in wedstrijden gewonnen eremedailles) – is nog steeds in Gent; zij werd in 1920 door de familie geschonken aan de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, waar zij nog altijd kan worden geraadpleegd.
De Stad eerde zijn nagedachtenis met een naar hem genoemd Prudens van Duyseplein.  

[Jan Pauwels]

 Over P. van Duyse: