terug naar index
Van Eijck, Clara Cornelia

(Gouda, 11.11.1751 - Utrecht, 19.06.1810) 

De periode 1780-1800 was zeer woelig in Nederland, vooral door de felle strijd tussen de voor- en tegenstanders van het Huis van Oranje, de orangisten (voorstanders) en de patriotten (tegenstanders die meer democratisering wilden). In 1787 werd de patriottische Vroedschap (het College van burgemeester en wethouders, schepenen) uit Utrecht verdreven. Zoals veel van hun landgenoten vluchtten Pieter Marret (toen lid van de Vroedschap) en zijn vrouw, Clara Cornelia van Eijck, naar de Zuidelijke Nederlanden. Nadat zij Brussel en Antwerpen reeds hadden moeten verlaten, kwamen zij in 1790 terecht in Gent waar zij twee jaar doorbrachten.  

Op het ogenblik dat de Marrets uit Holland vluchtten, was het even onrustig in de Zuidelijke Nederlanden. Er was nog altijd zwaar ongenoegen om de drastische hervormingen die de Oostenrijkse heerser, Jozef II, in 1780 had doorgevoerd. Bovendien leidde een mislukte oogst tot hongersnood in de winter van 1788-1789, wat broeierige spanning tussen de verarmde massa en de egoïstische, bevoorrechte standen meebracht.
Gent was in die tijd een alles behalve veilige haven voor bannelingen. De stad was bezet door Oostenrijkse troepen en dat leidde zelfs tot een bloedige confrontatie toen de Gentse “patriotten” de kazerne aanvielen. Vreemdelingen werden argwanend in het oog gehouden: het zouden wel eens spionnen kunnen zijn. Verschillende leden van de Nederlandse kolonie in de stad werden ten andere ook gearresteerd.  

C.C. van Eijck en Gent 

De begoede Marrets logeerden aan de Kouter maar zij waren vaak te gast in het kasteel Groeningerveld, nabij Langerbrugge (niet ver van het kanaal naar Sas van Gent). Van mei 1790 tot maart 1791 schreef Van Eijck een dagboek in briefvorm. Daarin volgt en beschrijft zij het nieuws dat zij uit Holland kreeg, maar ook de – voor hen vaak verontrustende – politieke en militaire gebeurtenissen in Gent.
Van Eyck voelde zich hier niet thuis. Uiteraard was zij beangstigd door de “plunderende”, “zuipende” en “boelerende” militairen. Zij stoorde zich bovendien aan het boerse karakter van de lokale bevolking en als protestante kon zij geen begrip opbrengen voor – wat zij noemt – de van “bijgelovige onkunde” en “blinde godsdienstvijver” getuigende gebruiken (o.m. de Mariaverering) van de katholieken. 

Verveling is een ander gevoel dat bijna elke bladzijde van dit dagboek kleurt. Het frusteerde haar dat zij zich, als vrouw uit de hogere stand, enkel met onnozel tijdverdrijf mocht bezighouden: haar opschik maken, dineetjes voorbereiden, allerlei spelletjes spelen, visites afleggen bij vrienden-medeballingen. Als het weer dat toeliet – nagenoeg elke dagnotitie begint met een weerbericht – ondernam zij korte wandelingen of langere “tourties” (tochjes). En dat levert beschrijvingen op van de Kouter, de Coupure, de “Cathedrale of St.-Bavoos kerke”, het “Hotel des Bisschops”, de Sint-Pietersabdij, de abdij van “Bordelo” (Baudelo) en het relaas van een bargietocht. Wat langere uitstappen gingen o.m. naar de Dampoort, de Brugse Poort, de Brusselse Poort of de abdij van Drongen...  

Het dagboek is vooral interessant als – zij het eenzijdig en fragmentarisch – ooggetuigenverslag over die woelige tijd in Gent. Het werd in 2000, onder de titel Mijn waarde vriendin : een Gents journaal, 1790-1791, met ruime toelichting uitgegeven door Joost Roosendaal die ergens vermeldt dat de schrijfster 38 jaar was toen zij aan het dagboek begon (p. 8) en die verder (p. 38) haar overlijdensdatum geeft. 

[Frans Heymans en Tine Englebert]

Over C. C. van Eyck: