terug naar index
Van Geert, Frans

(Francies) (Gent, 03.05.1786 - Gent, 06.04.1873) 

Gents beroepsmilitair, auteur van proza en toneelwerk. Van 1809 tot enkele maanden vóór de slag bij Waterloo diende hij in het Franse leger. Hij bracht het er tot luitenant. Na zijn vrijwillig ontslag uit Franse dienst sloot hij zich aan bij de Koninklijke Nederlandse Krijgsmacht waar hij uiteindelijk kapitein werd. In oktober 1830 maakte hij de overstap naar het Belgische leger. Op 28 september 1847 werd hij, als luitenant-kolonel, op rust gesteld. Hij vestigde zich dan in Gent en was er een tijdlang voorzitter van de Maatschappij “Broedermin en Taelyver”, tot hij in 1855 naar Brussel trok. 

Van Geert vertaalde enkele drama’s, o.m. Don Carlos van Schiller en de Egmont-tragedie van Goethe. Zelf schreef hij een zedenstudie, De Buschkanters of De vondeling (1858) evenals enkele drama’s,  Montigny (1855, bewerking van een treurspel van de Nederlander  H.H. Klyn), De boschgeuzen (1861) en Jacob van Artevelde (1864, naar Hendrik Consciences gelijknamige roman). Voor dit laatste werd hem in 1865 de driejaarlijkse staatsprijs voor Vlaamse toneelletterkunde (periode 1862-1864) toegekend.  

Op 14 november 1850 gaf baron en auteur Jules de Saint-Genois een literair-muzikaal en poëtisch avondpartijtje waarop enkele vrienden, Vlaamse letterkundigen en beoefenaars van de schone kunsten, elkaar vonden. Er werd gemusiceerd, gezongen, gedeclameerd en voor de vuist gedicht. Frans (of Francies) van Geert, toen al luitenant-kolonel op rust en bekend voor zijn Gentse grappen en voor “de uitmuntende wyze waerop hy kluchtjens en vertellingen kon voordragen in de plaetselyke tongval” gaf er enkele verhaaltjes ten beste. “De man”, schreef De Saint-Genois, “was een oud braef militair, die veel gezien, veel gehoord en veel onthouden had. Hy begon dus het een en ander van den verleden tyd te verhalen, zoodat iedereen zich rondom hem met belangstelling en nieuwsgierigheid schaerde en hem met de grootste aendacht aenhoorde.”
Eén van die verhalen viel bij De Saint-Genois zodanig in de smaak dat hij het optekende, als ghost-writer zou men vandaag zeggen. Onder de titel De grootboekhouder : eene Gentsche vertelling, en versierd met tekeningen van A.-P. Sunaert, werd het in 1851 gepubliceerd bij de drukkerij der gebroeders De Busscher te Gent. Thans is het een erg zeldzaam werkje. Het vertelt het wedervaren van de koetsier van Lieven Bauwens die, daartoe aangespoord door de bedienden van het bedrijf, bij de baas solliciteert naar de betrekking van de pas overleden grootboekhouder. 

De Saint-Genois voelde zelf aan dat zijn versie één nadeel had. “Misschien”, schreef hij, “zal dit verhaal, by het lezen, een deel van zyne eenvoudige sierlijkheid verliezen welke de plaetselyke tongval waerin het voorgedragen werd, er aen gaf. ” 

Ervan overtuigd dat de humoristische kracht van dit weinig bekende “verhoalijnkske uit 1850” inderdaad vooral schuilt in de charme van het echt-Gentse dialect, “vertoalde” ondergetekende De Saint-Genois’ versie in 2000 naar de Gentse “tongval”. Onder de titel De gruutboekhouwer van Lieven Bauwens : een Gentsche vertellinge, en verlucht met de originele tekeningen van Sunaert, werd het gepubliceerd door de Vriendenkring van het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel.

[Eddy Levis]

Over F. van Geert: