terug naar index
Van Heerden, Ernst

(Pearston, Oos-Kaap, Zuid-Afrika, 20.03.1916 - Johannesburg, 30.09.1997)  

Zuid-Afrikaanse academicus en auteur van poëzie, reisverhalen en essays.
Hij studeerde aan de universiteit van Stellenbosch en vervolgens (1938-1939) aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moest hij, samen met zijn studiegenoot, vriend en dichter W.E.G. Louw, noodgedwongen naar Zuid-Afrika terugkeren.
Dankzij een Belgische studiebeurs kon hij in 1951 zijn buitenlandse studies hervatten, ditmaal aan de Gentse universiteit waar hij in januari 1953 de graad van doctor in de Letteren en de Wijsbegeerte behaalde met het proefschrift Die digterlike beeld, met spesiale verwyzing na die poësie van N.P. van Wyk Louw. Hij werd hoogleraar aan de Universiteit van die Witwatersrand (Johannesburg).  

Literair behoort van Heerden (met figuren als N.P. van Wijk Louw, D.J. Opperman, Elisabeth Eybers e.a.) tot de generatie Zuid-Afrikaanse auteurs die bekend staan als de “Veertigers” en die de basis legden voor een nieuw tijdperk in de Zuid-Afrikaanse literatuur.  

Tijdens zijn verblijf in Gent ontstond een sterke, bijna broederlijke band met de Vlamingen. Die vriendschap vond zijn oorsprong in de verwantschap van taal én in het besef van een (historisch) gemeenschappelijke sociale en culturele achtergrond. Dat gevoel zou later in een aantal van zijn gedichten tot uiting komen, zo reeds in Vlaandere (opgedragen aan zijn goede Gentse vrienden Marcel en Lisette de Backer-de Vleeschauwer), in de bundel Reisiger (1953). Van Heerden bezingt in dat  gedicht het Vlaamse landschap. Merkwaardig is het naast (en soms door) elkaar plaatsen van Vlaamse en van Afrikaanse woorden (“kerselaar”, “herte”, “skuitgeloei” [scheepshoorns], en “vlasland” naast “boereplaas” en “suikerbosse” [protea’s, nationale bloemen van Zuid-Afrika]. Daarmee verwijst de auteur naar een gemeenschappelijke taalkundige en historische context en bevestigt hij dus een verre broederband.  

In Vlaamse hoewe uit de bundel Teenstrydige Liedere (1972) verkende hij het typisch Vlaamse landschap (met de torens van Gent op de achtergrond, “... Gent se torings / Goties en eietyds / skemer ver deur / soos agter gaasdoek”) – en stelde hij dit beeld tegenover vergelijkbare beelden uit Zuid-Afrika. 

In Vlaamse stad (verschenen in bloemlezing Lied van mijn land, 1975) bezong hij de stad Gent met haar Leie en haar Recolettenbrug, en verwees hij naar de “vyf verslankte seuns se fyn ballet-gebaar” [het verfijnde ballet-gebaar van de vijf jongelingen], de geknielde knapen van George Minne, op het Emile Braun-plein.  

Bijna 40 jaar na zijn verblijf in Gent riep hij, in Reisiger in Vlaandere (opgenomen in de bundel Kwadratuur van die sirkel, 1990) nostalgische beelden en herinneringen uit het verleden op, als een “middeleeuse droom” die niet kon worden verwezenlijkt.  

Herinneringen aan zijn verblijf in Gent, en een bezoek aan zijn vroegere Gentse professor, Frank Bauer, zijn te vinden in Etiketite op my koffer : bladsye uit ’n Amerikaanse reisjournaal (1961) en in Die ligtende trein : outobiografiese vertellings (1988). 

Kort voor zijn dood stemde Van Heerden ermee in dat zijn verzameling Zuid-Afrikaanse poëzie, bloemlezingen en kritische werken (meer dan 600 titels), aan het Gentse Poëziecentrum zou worden geschonken. Dat gebeurde officieel op 27 november 1998. Deze verzameling bevat nagenoeg de gehele Afrikaanse poëziegeschiedenis.  

[Jan L. Coetzee]

 Over E. van Heerden: