terug naar index
Van Lishout, Pliet

(Gent, 22.01.1920 - Namen, 11.04.1982) 

Hippoliet Joanna Livinus van Lishout was journalist, dichter, auteur van romans en verhalen, toneel- en dagboekschrijver. De authenticiteit en de fantasie van zijn leven waren waarschijnlijk zijn beste werk. In zijn levensstijl volgde hij zijn grootvader Hippoliet Acke (brouwerszoon, fantast, avonturier, kunstenaar en levensgenieter die als violist, pianist en componist doorheen heel Europa trok).  

Hij woonde in Gent achtereenvolgens in de Begijnhofstraat, de Ottogracht en de Verpleegsterstraat. In 1964 verhuisde hij naar Zwijnaarde en in 1962 naar Elsene. In 1964 vestigde hij zich definitief te Rhisnes nabij Namen. Hij volgde de Grieks-Latijnse humaniora aan het Sint-Lievenscollege. Toen hij beslist had journalist te worden, stapte hij over naar het Provinciaal Handels- en Taalinstituut. 

Van Lishout, de mooie en charmante dandy, ging in de tweede helft van de jaren dertig door als de eerste “zazou” in Gent. Hij hield zich bezig met een cabaretgroep, bewoog zich vlot in de uitgaanswereld en het artiestenmilieu en vrijde met al de meisjes van zijn parochie. Hij kende de spreekwoordelijke twaalf ambachten en dertien ongelukken en leefde met losse schnabbels van de hand in de tand. 

In de winter van 39-40 leerde hij de groep De Faun (rond Paul Rogghé) kennen. Dit intellectuele gezelschap stimuleerde hem om schrijver te worden. In 1940 vluchtte hij voor de bezetter en trok hij voor een paar maanden per fiets naar Frankrijk. Vanaf 1946 werkte hij bij Het Laatste Nieuws. De eerste helft van de jaren vijftig beleefde hij het hoogtepunt van zijn artistieke carrière: hij genoot naam en faam als auteur; als journalist was hij een van de belangrijkste chroniqueurs van het socio-culturele leven van zijn geboortestad; hij was rad van tong, geestig en door zijn boeiende en dynamische persoonlijkheid was hij in alle gezelschappen een graag geziene gast. In de tweede helft van de jaren ’50 begon de neergang: zijn journalistiek werk liet hem geen tijd voor creatief werk en zijn jongere stadsgenoot Hugo Claus schoot hem in werkkracht, veelzijdigheid en succes als een meteoor voorbij. Ter compensatie begon Van Lishout films te maken (Gent-Gand, De eenzamen, Le carnaval de Valentine) maar onervaren en goedgelovig als hij was, werd het een regelrechte financiële ramp. Zijn huwelijk liep op de klippen. In 1958 verliet hij Gent definitief en stapte hij van de journalistiek over op het schrijven van reclametekten. De jaren ’60 en ’70 waren wel zijn gelukkigste jaren: boeiend en afwisselend werk, een stabiele relatie, twee kinderen, geen geldzorgen. Zijn laatste levensjaren werden opnieuw gekenmerkt door een opeenstapeling van tegenslagen: ziekte, geldnood, gebrek aan doorzettingskracht, het gemis van Gent (dat de voedingsbodem van zijn kunstenaarschap was), zijn toneelwerk en zijn manuscripten werden telkens afgewezen door toneelgezelschappen en uitgeverijen. Ondanks zijn schrijversrijk talent liet hij een eerder bescheiden en onvoltooid oeuvre na. 

Hij schreef niet meer dan negen gedichten maar die getuigen van talent om tot een verdienstelijk traditioneel dichter uit te groeien.  

Slechts één van zijn toneelteksten werd gedrukt: Nette kamers te huur (in Yang toneel kahier, 1981, nr. 5) en slechts twee van zijn stukken werden opgevoerd. In zijn nalatenschap bevinden zich echter de synopsis, onafgewerkte teksten en aanzetten of ideeën, voor vijfentwintig stukken. Als geboren verteller en groot toneelspeler had hij voldoende talent en fantasie om verrassende situaties te verzinnen en een voortreffelijk toneelstuk op te bouwen. Het ontbrak hem echter aan stielbeheersing; zijn grootste probleem was het schrijven van toneeltaal.  

Zijn scheppend proza kan in drie perioden worden ingedeeld: de romans uit de oorlogstijd, de verhalen uit de jaren ’50 en ’60 en het nagelaten werk.
In de romans uit de oorlogstijd (Op het asphalt, 1941; De obsessie Dr. Jimenez, geschreven in 1944, gepubliceerd in 1947, bekroond met de letterkundige prijs van de stad Gent in 1951) ligt het zwaartepunt op existentiële problemen, de zin van het leven, de eenzaamheid, de angst, de dood. Deze sombere bladzijden, evenals de psychologische bespiegelingen en zwaarmoedige gedachten, riepen herinneringen aan Dostojevski op, ook bij Paul Rogghé, door wie hij jammer genoeg over het paard werd getild.
Van Lishout was pas 21 toen Op het asphalt (over zijn vlucht per fiets naar Frankrijk en de terugkeer naar Gent) verscheen; het werk vertoont meer gebreken dan kwaliteiten
Velen beschouwen de psychologische roman De Obsessie (1942) als zijn beste werk. Hijzelf vond het stilistisch zwak (in 1968 was hij ten andere van plan het boek te herschrijven). De zaak Dr. Jimenez was eveneens een psychologische, cerebrale en zwaartillende roman.  

Alle verhalen in Eva en ik (1951) en Adam betaalt (1976) handelen over vrouwen. Het eerste boek leverde Van Lishout bekendheid op bij een ruim publiek; het getuigt van een heldere zeggingskracht en het zit vol humor. Het tweede is ernstiger, bitterder van toon. 

Ongetwijfeld is Leven met Emilie : een puzzel van 69 stukken uit een puzzel van 70 (1983), zijn belangrijkste werk uit de laatste periode. Deze roman verheerlijkt de dagelijksheid, het huiselijk geluk, de morele vrijheid en vooral de vrouw. Niet ten onrechte beschouwde Van Lishout deze roman als zijn levenswerk. Het boek bleef echter zo goed als onopgemerkt. 

Flarden uit mijn levens is een nagelaten dagboek uit de periode 1962-1982 waarvan enkel fragmenten verschenen in het tijdschrift Yang. Hier is een man aan het woord die barst van levensdrift, alle facetten van het leven de moeite waard vindt, overloopt van plannen en verwachtingen. Het schrijven staat helemaal centraal in zijn leven. De allerlaatste zin lijkt wel een synthese van Van Lishouts leven te zijn: “Als romantische twintigjarige heb ik nooit gehoopt dat ik de leeftijd van Dostojevski zou halen. Toch heb ik het ‘m gedaan.” (dagboek, 11 december 1981).

[Daniël van Ryssel]

Over P. van Lishout: