terug naar index
VAN PAEMEL, MONIKA

(Poesele, 04.05.1945 - )

Vlaamse schrijfster van autobiografisch getinte romans, geboren als Monique van Paemel. Ze groeide op bij haar pleegouders en liep (kost-)school in Turnhout. Haar geboortestreek is op prominente wijze aanwezig in haar werk. En hoewel ze de oorlog niet meemaakte, is haar oeuvre doorspekt met beelden uit de oorlog.
Ze had een afkeer van zelfbeklag en vocht voor haar plaats als vrouw en auteur in de maatschappij. Ze was geëngageerd en feministe en bekleedde verschillende functies, o.a. voorzitster van de Balkanactie in 1992 en jarenlang voorzitter van de Vlaamse PEN, de internationale schrijversorganisatie. Ze werd in 1993 in de adelstand verheven.

Van Paemel schreef in een experimentele, associatieve stijl en versmolt haar verhalen met subjectieve beschouwingen en autobiografische ervaringen. Het zoeken naar de eigen identiteit stond daarbij centraal, als individu én als vrouw.
Haar eerste roman Amazone met het blauwe voorhoofd (1971) werd bekroond met de Debuutprijs. Na het verhaal over haar grootmoeder (Marguerite, 1976, Provinciale Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen 1975), volgden nog romans als De eerste steen (1988), Rozen op ijs (1997), Celestien (2004), De koningin van Sheba (2008) en Weduwenspek (2013), waarmee de feministische thematiek uit Marguerite weer opgenomen werd. Haar belangrijkste werk is gebundeld in Het gezin Van Puynbroeckx (2008).

Ze schreef ook essays en non-fictie als Het kind met de alwetende ogen : over kinderen in oorlogsgebieden en kindsoldaten (2002), een pleidooi voor redelijkheid en begrip (Te zot of te bot, 2006) en noteerde haar levenslessen in Het wedervaren (1993).
Van Paemel werd ook nog bekroond met de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies (1985) en de Belgische Staatsprijs voor verhalend proza (1987).

M. van Paemel en Gent

Haar autobiografische roman De vermaledijde vaders (1985), waarmee ze definitief een plaats veroverde in de literaire wereld, is de familiekroniek van een geslacht en van een land. Het verhaal steunt op de mythe van de Mammelokker: de vader (en bij uitbreiding alle “heren”, die door hun patriarchale maatschappij de vrouwen tot medeplichtigheid dwingen of hun leefwereld vernietigen) blijft uiteindelijk maar in leven doordat zijn dochter hem in de gevangenis bezoekt en zoogt.

De Romeinse legende van de tot de hongerdood veroordeelde Cimon is in Gent verbeeld en behoort tot de bekendste monumenten van Gent. In 1741 werd tegen het Gentse Belfort en de Lakenhalle (Botermarkt 18) een door David Franciscus ’t Kindt ontworpen cipierswoning gebouwd, die in de gevel het beeld van de Mammelokker toont. In de Gentse stadsarchieven wordt sinds 1770 over het beeld gesproken; sinds 1936 is het een beschermd monument en sinds 1999 Unesco werelderfgoed.

Alle Gentenaars kennen die cipierswoning van de voormalige Gentse gevangenis. Het woord “Mammelokker” verwijst zowel naar het gebouw als naar het grote reliëf boven de toegangspoort. Het toont een vrouw die de borst geeft aan een oude gevangene. Het echte volkswoord gaat terug op “lokke” of ”loke”, een namaakspeen, een soort toegenaaid vodje in de vorm van een vinger waarin men gekauwd brood en een beetje suiker stak. Deze namaakspenen waren voor de eerste wereldoorlog in gebruik bij arme mensen om hun kinderen te sussen. Een “mamme” is een voedstervrouw of ook wel een forse vrouwenborst.

Van Paemels roman Celestien (2004, aangekondigd als deel 1 van De gebenedijde moeders) vormde een eeuw omspannende familiekroniek door de ogen van de dienstmeid van de gegoede familie Van Puynbroeckx. Van Paemel situeerde het rusthuis Welverdiend, dat eerder het landhuis van de familie was, in Gent. En ook in De koningin van Sheba (2008) speelde het verhaal van de negenjarige Ciska zich af in het Gentse, bij haar tante en twee ooms in een landelijk gelegen zagerij.

Ooit beschreef Van Paemel hoe zij de trip van Gent naar haar geboortedorp Poesele in haar jeugd per tram beleefde: “Hoe verwachtingsvol stapte ik op het St.-Pietersplein in Gent op de tram die langs de meersen van Drongen (waar hij schuin overhelde) via Nevele waar de postzakken werden gelost, naar Poesele schommelde (…)”.

[Maurits Groeninck & redactie]

Over M. Van Paemel: