terug naar index
Van Vaernewyck, Marcus

(Gent, 21.12.1518 - Gent, 20.02.1569)

Dichter en historicus. Hij stamde uit een patriciërsgeslacht dat vanaf de 13de eeuw tal van Gentse functionarissen “leverde”. Hijzelf zou slechts één maand school hebben gelopen, wat hij goedmaakte door zijn aangeboren schranderheid en door wat hij opstak tijdens zijn reizen, in 1550 naar Tirol, Zwitserland en Italië, in 1556 naar Nederland en Westfalen.
In Gent was hij actief betrokken bij het stedelijke en maatschappelijke leven, o.m. als schepen, kerkmeester, deken en gildehoofdman, maar ook als lid en factor (= dichter, secretaris) van de rederijkerskamer Maria ’t Eeren. Hij werd begraven in de familiekelder in de Sint-Baafskerk.
Thans is in de Sint-Jacobsnieuwstraat (bijna op de hoek van de Baaisteeg) een gedenkplaat aangebracht. Daar schreef hij zijn Spieghel der Nederlandsche audtheyt (1568), later Historie van Belgis genoemd. Op de Vrijdagmarkt nr. 47, aan De Bonte Mantel of het Keizershof, is een borstbeeld van hem aangebracht.

Louter literair stelt zijn retorische poëzie niet bijster veel voor. Verdienstelijk zijn wel zijn levendige verteltrant en zijn plastische uitbeeldingskracht. Ook als geschiedschrijver is zijn belang gering. Anders is het met zijn gedenkschriften en getuigenissen over het eigentijds gebeuren in Gent. Ondanks zijn conservatief-katholieke overtuiging wordt hij algemeen geprezen om de objectiviteit waarmee hij de verschrikkelijkste taferelen van plundering, brandstichting, moord, verkrachting en terreur beschrijft.
Zijn belangrijkste werken zijn:

[Frans Heymans]

Over M. Van Vaernewyck: