terug naar index
Van Zevecote, Jacob(us)

(Gent, 16.01.1596  -  Harderwijk, 17.03.1642)

Hij kwam uit een patriciërsgeslacht en kreeg een humanistische levensvorming op Sint Michiels te Gent, zoals die opgang maakte van de 14de tot de 16de eeuw. Elke vorm van kennis was toen gebaseerd op de intellectuele, literaire en wetenschappelijke inzichten van die tijd. Bewust wilde hij zich aan zijn Nederlandse moedertaal wijden en het Spaanse juk van de Nederlanden afwerpen.

Op 16-jarige leeftijd schreef hij zijn “aldereerste” gedicht. Hij studeerde in Leuven en daarna in Gent rechten en poëtica. Hij reisde naar Rome, vond er niet wat hij zocht en trok zich daarna terug als kloosterling (later priester). Na zijn huwelijk werd hij benoemd tot hoogleraar in de welsprekendheid in Gent en later in Harderwijk.
Met een ondertoon van miskenning schreef hij klaagliederen en raakte hij op de dool. Ontredderd keerde hij terug naar Holland, ging over naar de hervormde kerk en werd actief in de Nederlandse poëzie. In Leiden schreef hij wat beschouwd wordt als zijn beste werk, het treurspel Belegh van Leyden (1626), met de hooglyrische “rey van gevluchte uyt Vlaenderen”, een dramatisch gedicht van vaderlandsliefde en Spanjaardenhaat. Daarnaast schreef hij nog “emblemata” (= korte gedichten bij kleine afbeeldingen) die hij samen met zijn Gentse minnepoëzie publiceerde. Zijn erotische stukjes over het meisje Thaumantis roemen de lieflijkheid en natuurlijke bevalligheid van deze Gentse schone.
Zijn Latijnse poëzie werd het hoogst gewaardeerd, wat niet belette dat Philippe Blommaert in 1840 de Verzameling van alle de Nederlandsche gedichten van J. van Zevecote uitgaf.

Na zijn overlijden werd hij door Jan Frans Willems, dezelfde Philip Blommaert, Constant Philip Serrure en Frans de Potter nog geridderd tot “Prins der Vlaamse dichters”. Zijn verzen – schreef men – bezaten een opmerkelijke frisheid en zijn “bloemen” leken vers uit de Vlaamse beemden geplukt.

[Frans Heymans]

Over J. van Zevecote: