terug naar index
VAROUJAN, DANIEL

(Pirkinik (Sivas)/Anatolië, Ottomaanse Rijk, 20.04.1884 - Çankiri/Noord-Turkije, 26.08.1915)

Een van de grootste Armeense dichters. Hij studeerde vier jaar aan de Gentse universiteit (1905-1909). In 1908 publiceerde hij zijn gedicht A la statue de Van Artevelde.

De christelijke, Armeense dichter Daniel Varoujan (schuilnaam voor Daniel Tchiboukkiarian) was pas 31 jaar toen zijn leven en zijn werk abrupt en brutaal werden afgebroken. Samen met 4000 intellectuelen van Armeense afkomst werd hij in 1915 vermoord. Waarna door de troebelen van de Eerste Wereldoorlog, waarin het Ottomaanse Rijk de kant van het Duitse keizerrijk had gekozen, en uit schrik dat de Armeniërs de kant van Rusland zouden kiezen, de gedwongen deportatie van het Armeense volk naar de Syrische woestijn begon. Het werd een eindeloze tocht die leidde tot een genocide.

Enkele jaren voordien verscheen van Varoujan Het’anos erger [Chants Païens of Heidense gezangen] (Istanboel, 1912). In 1914 richtte hij nog mede het literaire tijdschrift Mehian op. Met zijn strijdbare, nationalistische poëzie ontwikkelde hij zich tot een van de bekendste dichters van de Armeense literatuur. Hac’in erge (Franse vert. Le chant du pain, 1909) bevatte zijn laatste gedichten. Het manuscript van de onvoltooid gebleven dichtbundel werd in beslag genomen en kon slechts na het betalen van smeergeld worden gered en in 1921 in Instanboel postuum worden uitgegeven. 

Le chant du pain: liefde voor Anatolië

In Le chant du pain, een dichtbundel van epische omvang en opzet, beschrijft Daniel Varoujan het ontstaan van het brood. Het zijn gedichten waarin hij vooral zijn liefde uitdrukt voor de Anatolische aarde en de mensen die haar bewerken. Samen met de dieren – de ossen – want zonder de immense kracht van deze dieren kan het harde bewerken van het land niet worden uitgevoerd. Het hele proces van het ontstaan van het brood als basisvoedsel is tot in de puntjes georganiseerd door de ervaring van verschillende generaties. Iedereen van klein tot groot wordt ingeschakeld om uiteindelijk tot de oogst en het meel te komen. Hierbij wordt de goede wil van hogerhand afgesmeekt door een kruis van graan te offeren aan de Heilige Maagd. 
De liefde voor de Anatolische aarde, de verbondenheid met de dieren, de liefde voor de mensen die deze arbeid verrichten en zodoende zorgen voor het voortbestaan van generatie op generatie, én het epische opzet, doen denken aan het grote, tussen 1940 en 1947 ontstane dichtwerk Mensenlandschappen van de Turkse dichter Nâzım Hikmet. In zijn laatste werk, de autobiografische roman De romantici (1967), drukte Hikmet, die zelf een groot deel van zijn leven gevangen zat, zijn afschuw uit voor de moord op het Armeense volk.

Daniel Varoujan en Gent

Na studies bij de Armeens-katholieke Paters Mechitaristen in Istanboel en Venetië (San Lazzaro) studeerde Varoujan vier jaar in Gent, van 1905 tot 1909. Aan de Universiteit Gent behaalde hij het diploma van licentiaat in de politieke wetenschappen. Het is een tijd waarin Varoujan kennis maakte met de westerse poëzie: Baudelaire, Verhaeren, Maeterlinck. Maar hij ervoer ook de schrijnende situatie van het proletariaat in de industriële maatschappij, de klassentegenstelling, het socialisme. Hij voelde zich verschrikkelijk eenzaam: “Niemand begrijpt mijn taal. En nog minder mijn ziel.”

Varoujan woonde in Gent eerst aan de Kunstlaan 17, maar verhuisde ettelijke keren vanwege zijn penibele financiële toestand. Als lid van de Société Générale des Étudiants Libéraux, de liberale studentenvereniging, leerde hij er historicus Henri Pirenne kennen; in 1909 wijdde Varoujan een gedicht aan zijn leermeester.
In 1908 publiceerde Daniel Varoujan in de liberale Almanach de l’Université de Gand zijn Franstalig gedicht A la statue de Van Artevelde. De dichter mijmert aan de voet van het standbeeld van Jacob van Artevelde over de Gentse strijd tegen onderdrukking, over de toespraken van Artevelde en het ‘serpent’ Gérard Denis (Gerard Denijs, leider van de wevers en moordenaar van Artevelde). Aan het slot hoopt de dichter dat het heldendom van Artevelde zijn dichterschap mag bezielen, om zijn gemartelde Armeense volk te helpen de ketenen te verbreken.
In dezelfde Gentse periode publiceerde Varoujan ook nog de gedichten Le berceau de ma patrie (1906) en Le premier péché (1909), beide in de Almanach de l’Université de Gand, en C’elin sirte (Le coeur de la race, 1909), waarmee hij bekend werd als dichter.

Blijvende aandacht voor Daniel Varoujan in Gent

Op 9 februari 1958 werd tijdens een indrukwekkende plechtigheid in aanwezigheid van zijn weduwe aan de Universiteit Gent een bronzen gedenkplaat onthuld, die volgens de wens van het organisatiecomité werd aangebracht in de inkomhal van de Boekentoren. Op de gedenkplaat ( 82 x 55 cm) – naar een ontwerp van de Franse beeldhouwer Baron – is de besnorde jonge dichter te zien met zijn naam gespeld als Daniel Varoujean en in het Nederlands en het Frans de tekst “dichter uit Armenië student aan deze universiteit van 1906 tot 1909”. Onderaan staat in het Armeens een citaat uit zijn werk:

“Wat belang heeft het dovende leven
Wanneer de droom in leven blijft
Wanneer de droom onsterfelijk is?”

(uit het gedicht Némésis; vertaling Christian Vrouyr)

Het werk van Daniel Varoujan is niet in het Nederlands vertaald. De gedenkplaat in Gent is naast een standbeeld van de dichter in de Armeense hoofdstad Jerevan de enige plaats waar de herinnering aan deze grote Armeense dichter wordt bewaard. Hierdoor heeft de gedenkplaat in de Boekentoren een belangrijke plaats gekregen in het collectieve geheugen van het Armeense volk en worden er regelmatig herdenkingsplechtigheden aan de Universiteit Gent gehouden: in 1984 voor de honderdste geboortedag van Varoujan en in 2004 een Vlaams-Armeense literaire ontmoeting onder het thema ‘Daniel Varoujan en Emile Verhaeren’.

[Johan de Vos]

Over Daniel Varoujan: