terug naar index
Verschaeve, Cyriel

(Alveringem, 30.04 1874 - Solbad Hall, 08.11.1949)

Vlaams, controversieel priester-dichter die na een leraarsopdracht in Tielt (1896-1911) tot onderpastoor in Alveringem werd benoemd. Zijn omvangrijke literaire oeuvre omvatte poëzie, dramatiek en een groot aantal essays over letterkunde, beeldende kunsten en muziek. Hij kreeg twee staatsprijzen voor toneelletterkunde: in 1917 voor Judas en in 1936 voor Elijah. In 1943 bekroonde de provincie Antwerpen hem voor zijn monografie Jezus.

Zijn houding ten opzichte van de Vlaamse beweging, zijn invloed op de generaties van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond, zijn positieve en humane rol tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front aan de IJzer (de zgn. Frontbeweging), uiteindelijk zijn onomwonden Vlaams-nationalistische kijk op politiek en cultuur in het Interbellum en zijn onomkeerbare keuze voor een groot-Germaanse en nationaal-socialistische collaboratie – dat alles wekte zeer verdeelde appreciaties op. Kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog werd hij overgebracht naar Duitsland, later week hij uit naar Oostenrijk. In december 1946 werd hij door de Krijgsraad in Brugge bij verstek ter dood veroordeeld. 

Zijn blik op Gent was grotelijks beïnvloed door Albrecht Rodenbach: hij zag de stad als het Gent van de “gemeentenaren”, van Klokke Roeland. In een opstel uit 1942 (Gents Eeuw! Vlaenderen die Leu!) merkte hij op dat Rodenbach en Vuylsteke “... nog de stralen (op)vangen van ’t oude verre Gent”. Toch was er een aanwijsbaar verschil tussen Rodenbach en Verschaeve: Rodenbach verheerlijkte de legendarische figuur van vaandeldrager Sneyssens, voor Verschaeve was Jacob van Artevelde de sterkste incarnatie van de laat-middeleeuwse rol van de stad Gent. De eerste keer laat hij dit zien in een opstelletje over Peter Benoits oratorio De Schelde (december 1908): “De glorierijke gemeenten!...uit een ontluiking van heldenmoed, rijst de grote figuur van Artevelde, groots, edel, koninklijk. Daar (op de Vrijdagmarkt) staat hij voor ons aan het dromen van zijn hoge idealen, een wereldomvattende gloriedroom van zijn vaderland.”
Ontelbare malen heeft hij variaties op dit thema neergeschreven, het sterkst in de drama’s Jacob van Artevelde (1909) en Philips van Artevelde (1910), beide in 1912 uitgegeven en met succes opgevoerd. Voornamelijk in Jacob komen een aantal toneelfragmenten voor waarin deze specifieke cultuurpolitieke droom over Gent naar voor komt.
Maar ook het opstandige, hardleerse karakter van de Gentse “gemeentenaren” had zijn heimelijke voorkeur. In Philips typeert hij hen als “een nest van wilde horzels, moedig strijdend, doch zwervend zonder orde, vliegend waar hun toorn hen drijft, niet waar ’t gezag hen voert.”
Toen Jacob in 1939 met grote luister – en in zijn aanwezigheid – in Gent werd opgevoerd, schreef hij  : “... de hand van Artevelde op de Vrijdag markt (wijst) naar ’t ganse veld der geschiedenis, en, zoals men torens toont in de verte, zo wees hij naar grote gestalten, naar grote daden in ’t verleden.”
Op 2 april 1941 sprak hij in Gent de feestrede, Rodenbach’s droom, uit op het Diets Studentencongres. Daarin verbond hij de vechtlustige middeleeuwe stad en de vechtlust van de jonge Vlaamse dichter, aan de soldateske inzet voor Hitler-Duitsland.
Nadien zou hij Gent nog éénmaal als “vechtstad”(met verwijzing naar René de Clercq) uitgebreid in beeld brengen: in 1942, in Vlaenderen, dagh en nacht denc ic aen u, zijn “tocht door land en steden”. Daarin betoogde hij dat er naast het standbeeld van Artevelde nog één krachtig beeld hoefde te worden toegevoegd: dat van Sneyssens. Deze vaandeldrager “is toch Gent zelf, zijn kampgeest, zijn heldendom....al die Gentse deugden verdichten zich in deze gestalte, zoals ’t in de legende gewoonlijk gebeurt... In Rodenbachs verzen werd Sneyssens onsterfelijk schoon gestandbeeld, zodat de dichter, verstomd voor wat hij bezongen heeft, naar de wereld roept wat Gent zou moeten roepen: “... ei! Kyneguros, ween van spijt, en werp uw kroon naar Sneyssens.”

Later, in zijn bange ballingsdagen in de winter van 1944-1945, restte voor de politiek verbrande kapelaan van Alveringem niets anders meer dan Rodenbachs gedicht Sneyssens in Duitse werkkampen voor te dragen, bij het ronselen van opgeëiste arbeiders voor de SS-troepen.

[Romain Vanlandschoot]

Over C. Verschaeve: