terug naar index
Verschoore, Nicole

(Gent, 06.01.1939 - ) 

Filologe, journaliste en schijfster. Ze doctoreerde aan de UGent op de naoorlogse Duitse literatuur van de “Gruppe 47” en modereerde debatten voor o.a. Europalia-Duitsland 1980 en diverse auteursconfrontaties. Voor de BRT-radio en -televisie werkte ze o.a. mee aan “Ex Libris”, uitzendingen over Duitse literatuur en over Den Vlaemschen indicateur 1778-1787, het eerste Vlaamse blad in de geest van de Verlichting.

In het tijdschrift Boek en bibliotheek publiceerde ze een lange reeks essays Vrijzinnige literatuur in Vlaanderen in de 19de eeuw (over Domien Sleeckx, Eugeen Zetternam, Emmanuel de Bom, Herman Teirlinck, Anton Bergmann, Reimond Stijns). Van 1973 tot 1988 was ze ook cultuurredactrice voor Het laatste nieuws te Brussel. In 2000 werd ze vaste medewerkster van La revue générale, met haar rubriek Lettre de Flandre en historische herinneringen aan het intellectueel Vlaams verleden.

Ze schreef tot 1994 uitsluitend in het Nederlands, daarna als journaliste en essayiste in beide landstalen en als auteur in het Frans. Haar debuutroman Le maître du bourg (1994, Prix de l’ADELF 1995) verscheen bij de gerenommeerde Parijse uitgeverij Gallimard. De kennis van leven en werk van vroegere generaties in Vlaanderen inspireerde vervolgens de historische trilogie Les Parchemins de la tour (2004), Le Mont Blandin (2005) en La Charrette de Lapsceure (2007), ook verzameld in La passion et les hommes (Prix Michot 2007). Haar roman Autobiografie d’un siècle (2010) is een getuigenis van Belgisch, Europees en internationaal leven net vóór de totale mondialisering.
Verder verschenen nog de verhalenbundels Vivre avant tout (2006) en L’innocence en Italie (2014), en de romans: L’Énigme Molo (2009), Ainsi donc une fois encore (2013) en Les Inassouvis (2013).

N. Verschoore en Gent 

Verschoore bracht haar jeugd door in de ouderlijke woning aan de Hubert Frère-Orbanlaan, woonde na haar huwelijk in 1960 aan de Voskenslaan, de Coupure (1963), in de Rijvisschestraat te Zwijnaarde (1972) en vanaf september 2004 in de Hofstraat. Haar grootouders van moederskant waren uit West-Vlaanderen en van vaderskant uit Nevele ingeweken Gentenaren. Gegevens uit de archieven van haar verwanten Alfons Sevens en Arthur Buysse stoffeerden een groot deel van haar essayistisch en literair werk. Na zes jaar Lagere hoofdschool Emiel Braun, de humaniora aan het Gentse Lyceum en vier jaar Germaanse filologie aan de universiteit te Gent (1956-1960) werkte ze als aspirant NFWO bij prof. dr. Herman Uyttersprot en werd ze vervolgens assistente Duitse literatuur (tot 1969). Vanaf 1965 werd ze ook recensente Duitse literatuur en versloeg ze het Gentse galerijleven en amateurtoneel voor Het laatste nieuws. Na haar “Brusselse tijd” (1973-1988) nam ze in 1994 de leiding van het Gentse weekblad Le Nouveau Courrier op zich, tot eind 1999.
In 1989 werkte ze ook mee aan de tentoonstelling van het Atheneum Ottogracht over beroemde oud-leerlingen als Arthur en Cyriel Buysse, Tony Bergmann, Julius Vuylsteke, Jacob-Frans-Jan Heremans, Karel van de Woestijne en vele anderen.

 

Gentse werken 

In het Willemsfonds informatieblad (1990-1993) publiceerde ze een reeks van dertien populariserende afleveringen over Jan Frans Willems’ jonge jaren. Vanaf 1998 redigeerde ze in Boek en bibliotheek de Oorlogsbrieven van Alfons Sevens 1915-1918, brieven van een gedeporteerde Vlaming aan zijn in Gent wonende echtgenote. De originelen berusten in het Liberaal Archief te Gent en werden in 2014 ook elektronisch uitgegeven [zie het lemma over Sevens, Alfons]. Vooral het kampleven van de Vlamingen in Duitsland en de armoede in Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog komen uitgebreid aan bod. In Van Buysse tot Brusselmans (1996) behandelde Verschoore in de bijdrage Gent, bakermat van Franse meesterwerken, schrijvers die in het buitenland grote bekendheid verwierven als vertegenwoordigers van typisch Vlaams talent.

In Les parchemins de la tour (2004, deel I van de romantrilogie La passion et les hommes) kwamen de bewogen jaren 1827-1839 te Gent ter sprake. Het boek gaf tal van details over de pers, de optochten, de voorbereiding van de revolutie, de gevangenisstraf van de directeur van Le Catholique des Pays-Bas en ook een tijdsgebonden portret van Koning Willem, zowel belicht vanuit de katholieke tegenkanting als vanuit de Gentse eerbied voor de Nederlandse vorst.
In deel 2, Le Mont Blandin (2005), gunde ze de lezer vanuit een Gentse woning aan het Zuidpark een blik op de politiek van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. De strijd voor sociale emancipatie door de toenmalige idealisten uit de burgerij vond hier een concreet aanknopingspunt in een Gents politiek vlugschrift van 1911 over de mishandeling van de boerenbevolking door de clerus en de adel.
Deel 3, La Charrette de Lapsceure (2007), volgde een eeuw lang in een volks gezin de armoede en de emancipatie van zonen en dochters die emigreerden naar de Verenigde Staten en Congo. De Gentse hoofdstukken gingen vooral over de tijd voor 1914 en tussen en na de twee wereldoorlogen. Ze riepen ook de opvang op van Spaanse kinderen in Gent, die het slachtoffer waren van de Spaanse burgeroorlog, en van het gewoontegetrouwe Gentse cafébezoek in de betere naoorlogse jaren 1950.
Ook Verschoores talloze artikels over de Gentse actualiteit voor het weekblad Le Nouveau Courrier (van maart 1994 tot 31 december1999) en haar erudiete bijdragen over Gentse figuren, bleken hoofdzakelijk historisch georiënteerd. Voor Guido Lauwaerts bloemlezing Om Gent gedicht (2010) schreef ze Gand, mon amour en in Verhalen voor het sterven gaan van Marc Cosyns (2014) werd Le dimanche des grand-mères opgenomen; die novelle gaat over de zondagnamiddagen in de Gentse opera in de jaren 1950. 

[Jean-Paul den Haerynck]

 

Over N. Verschoore: