terug naar index
Vervier, Jan Baptist

(Gent, 1750 - Gent, 15.12.1817)           

Arts die uit een oud hugenotengeslacht stamde, als auteur gekend om een spotschrift en een gedicht.  

Na het vroegtijdig afsterven van zijn vader nam hij dienst in het leger, studeerde vanaf 1770 geneeskunde te Leuven en vestigde zich in Gent, na opnieuw (ditmaal als hoofdgeneesheer) in het Oostenrijks leger te hebben gediend. Met andere jozefisten (aanhangers van Jozef-II die de kerk ondergeschikt wilden maken aan de staat) wordt hij genoemd als auteur van keizersgezinde vlug- en hekelschriften. Hij zou volgens sommigen ook aan Franstalige publicaties hebben meegewerkt, volgens anderen schreef hij nooit in het Frans.  

Als bekendste, door hem samen met advocaat Karel Lodewijk Diericx en anderen opgestelde geschrift geldt de Excellente Print-Cronike van Vlaenderen, een lijvig spotschrift dat Antwerpen als plaats van uitgave vermeldt, maar in Gent in 1791 verscheen. Het diende zich aan als een geschiedenis van de Brabantse Omwenteling, maar is in werkelijkheid een in onkiese en onbeheerste taal geschreven verzameling van alle mogelijke wandaden, gepleegd door de geestelijken of door het volk op aanstoken van de clerus. Tussenin liggen spotverzen gestrooid. Het is, schrijft Hendrik J. Elias, na meer dan tweehonderd jaar stilzwijgen, de wederopstanding van de Geus. 

Van Vervier is ook een gedicht in twee zangen bewaard: Op het herstel der Moedertaal in de Zuidelijke Nederlanden (1815). De tekst betreurt het verval van de taal ten gevolge van de Franse Overheersing en roept op tot herstel van de vroegere “glorie”.

[Jozef Smeyers]

Over J.B. Vervier: