terug naar index
Viverius, Jacobus

(Gent, 1572 - Amsterdam, na 1636) 

Jacob Van de Vivere studeerde geneeskunde in Leuven en Leiden. Hij vluchtte met zijn protestantse vader naar Middelburg. Daarna deed hij beroepservaring op in Parijs en Londen. Hij vestigde zich eerst als heelmeester in Vlissingen. Na zijn huwelijk in 1602 verhuisde hij naar Leiden en rond de eeuwwisseling naar Amsterdam, waar hij ook overleed.
Onder zijn Latijnse naam Viverius publiceerde hij vooral historisch-didactische en godsdienstige geschriften, zoals De uytspraecke van Anna Uyt Den Hove, die te Brussel om de Sujvere Leere moorddadich is gedolven geweest (...) (1598) en Spiegel van de Spaensche tyrannie ende vieringe over het veroveren van de stede Rynberch (1621), maar ook lofzangen, atlassen, bijbelstudies en zelfs een berijmd verhaal over de pestepidemies. Hij schreef eveneens het toneelstuk Alphonsus d’Este, vertaalde het Viaticum of Reysgelt van Nathan Chrytraeus uit het Latijn en maakte in 1612 een Latijns grafdicht op de beroemde Vlaamse cartograaf  Jodocus Hondius. 

J. Viverius en Gent 

Viverius werd in Gent geboren als de zoon van de graveur-tekenaar, kunst- en glasschilder Jacobus Van de Vivere sr. Onder het pseudoniem Philologus Philiatros a Ganda verscheen Wintersche avonden of Nederlandsche vertellingen (1610, meermaals herdrukt en bekend tot in Zuid-Europa). Het is een verzameling wonderlijke en vermakelijke geschiedenissen over vrijerij, liefde en huwelijk die meestal in het nabijgelegen Zeeland gesitueerd werden. Het is zijn enige werk dat nu nog belangstelling wekt, niet om de stroeve rijmvormen, maar om de geschiedkundige bijzonderheden die erin verwerkt zijn. 

[Jean-Paul den Haerynck]

Over Viverius: