terug naar index
Walravens, Jan

(Anderlecht, 7.8.1920 - Brussel, 25.6.1965) 

Vlaams romancier, journalist, kunstcriticus, essayist. Na Wereldoorlog II was hij – tot zijn overlijden – als kunstredacteur verbonden aan de krant Het Laatste Nieuws.
Walravens werd beïnvloed door de existentialistische ideeën van Jean-Paul Sartre. Hij was een vurig voorstander van vernieuwing in de maatschappij en de kunst. Daarom was hij onder meer medestichter van het Vlaamse literaire avant-gardetijdschrift Tijd en Mens (1949-1955) en het Brusselse toneelgezelschap Het Kamertoneel (1953-1955).  

Met de bloemlezing Waar is de eerste morgen? (1955, tweede vermeerderde druk in 1960) profileerde hij zich als gangmaker en theoreticus van de jongerenpoëzie en van de zogenaamde Vlaamse experimentelen. Voor zijn roman Negatief (1958) werd hij bekroond met de Leo J. Krijnprijs. Kort voor zijn dood verscheen Jan Biorix (1965), een indrukwekkende kroniek in dagboekvorm, waarin hij schreef over zijn talrijke ontmoetingen met Vlaamse en buitenlandse kunstenaars en over zijn visie op de politieke en culturele actualiteit. 

J. Walravens en Gent

Samen met Louis Paul Boon en Hugo Claus vormde Walravens enige tijd de kernredactie van Tijd en Mens. Het driemanschap was op 22 december 1951 te gast bij leesclub Boekuil, in de stadsbibliotheek aan de Ottogracht.  

In Jan Biorix komt Gent eerst kort maar niettemin prominent in beeld. Walravens had in 1956 namelijk een gesprek met Gerard Bauër, toen secretaris van de Académie Goncourt, die Gent een grote invloed op het Franse symbolisme toeschreef. Wellicht had Bauër bij zijn bewering de Gentse Nobelprijswinnaar Maeterlinck en gelijkgestemde auteurs zoals Charles van Lerberghe, Grégoire le Roy ... voor ogen.
Walravens’ kroniek bevat nog een aantal merkwaardige Gentse passages. De auteur verhaalt hoe een bezoek in 1956 ten huize Claus (aan de Predikherenlei) enigszins in mineur eindigde in een café tegenover het stadhuis. Ten slotte brengt hij het relaas - wars van elke romantische verering voor het Gentse verleden - over een bezoek in 1958 aan het Gravensteen, dat hij “de sterfput van Vlaanderen” noemde.    

In het Nederlandse weekblad De Groene Amsterdammer (11 mei 1957) nam hij de verdediging op van Claus’ waarheidsgetrouwe visie in Een klank- en lichtspel voor de St.-Baafsabdij (1957), nadat de katholieke pers de auteur had verweten dat hij in zijn tekst te veel het verval en te weinig de glans van een van de oudste Gentse religieuze sites had benadrukt. 

[Joël Neyt]

Over J. Walravens: