terug naar index
Walschap, Gerard

(Londerzeel, 09.07.1898 - Antwerpen, 25.10.1989) 

Vlaamse auteur van een omvangrijk oeuvre dat vooral romans maar ook poëzie, toneel- en poppenkaststukken evenals jeugdverhalen omvat. 

Aanvankelijk schreef hij, als kandidaat-priester, eerder katholiek getint werk. Zijn evolutie naar de vrijzinnigheid zou hem zwaar worden aangerekend. Na zijn romandebuut Adelaïde (1929) – dat samen met Eric (1931) en Carla (1933) als de trilogie De familie Roothooft wordt beschouwd – werd hij door de clerus als afvallige, heiligschenner en zelfs pornograaf bestempeld. Zijn werk werd geboycot, op de beruchte index gezet. Over die traumatische ervaring schreef hij de pamfletten Vaarwel dan (1940) en Salut en merci (1955). Zijn bekendste roman is wel Houtekiet (1939), reeds helemaal in de sfeer van de geestelijke vrijheid die hij voor zich had bevochten.
Zijn Verzameld Werk werd van 1981 tot 1993 in zes delen uitgegeven. 

Walschap ontving talrijke literaire onderscheidingen, zo staatsprijzen voor Trouwen (1937), voor Zuster Virgilia en voor Oproer in Congo (beide in 1954) en voor zijn gezamenlijk oeuvre in 1965. In 1968 werd hem de Vlaams-Nederlandse Prijs der Nederlandse Letteren toegekend. Hij was lid van de Koninklijke Academie voor Nederlanse Taal- en Letterkunde en in 1975 werd hij vereerd met de titel van baron. 

G. Walschap en Gent

Gent of de Gentenaars komen slechts sporadisch ter sprake in zijn werk. In de roman Het kind (1939, hoofdstuk 10) beschrijft hij het katholieke karakter van een Vlaams dorpje en zegt hij o.m. “... Zo goed als allemaal geven wij voor Sint Pieterspenning, gaan beewegen naar ons Lievevrouwke van Oostakker met over de honderd man...”.
In Denise (1942, hoofdstuk 24) heeft hij het over het activisme en brengt hij enkele malen het tijdens de Eerste Wereldoorlog vernederlandsen van de Gentse universiteit door de Duitsers ter sprake.
In Tor (1943, hoofdstuk 15) worstelt het hoofdpersonage (Tor) met de vraag of hij, die zich gedraagt als een “pasgewijd priesterken”, wel kan doorgaan met de perverse poëzie die hij schrijft, meer nog, of een dergelijk iemand wel kan trouwen. De kennismaking met de verzen van de Gentenaar Karel van de Woestijne brengt verlossing: “Tor begrijpt ze niet. Zoet ontsteld echter leest hij: dijen, leest, schoot, borsten, buik, lijn der heupe. “Gij die den gordel onder uwe borsten bondt”. Dat moet het korset zijn. Tor kan zijn ogen niet geloven. Dat is dus geen vuile klap, dat is poëzie. Hij kan dus trouwen en dichter blijven. Hij trouwt.”    

[Frans Heymans]

Over G. Walschap: