terug naar index
Wazenaar

(Eksaarde, 09.09.1840 - Gent, 04.11.1906, pseudoniem van Amand de Vos) 

Legerarts, dichter, romancier, romanschrijver en polemist.
Aanvankelijk studeerde hij aan het College te Sint-Niklaas. Zijn hogere studies verliepen niet zonder problemen. Wegens geldgebrek had hij zich, in tegenstelling tot zijn gefortuneerde medeleerlingen, niet kunnen vrijkopen van legerdienst. Zo slaagde hij er pas op 21-jarige leeftijd in, met de steun van professoren en vrienden, studies voor Geneeskunde (verloskunde) te beginnen aan de Gentse Faculteit.  Niettemin moest hij,  na twee succesrijke kandidatuurjaren, kiezen voor een job als betaalde binnenleerling in het Stuivenberg-hospitaal te Antwerpen. Pas na drie jaar hospitaaldienst kon hij  (weer met de hulp van vrijzinnige vrienden) de studies voor zijn doctoraat aanvatten aan de toen nog volledig Franstalige Vrije Universiteit Brussel.
Zonder middelen lukte het hem niet, als jonge arts een praktijk te beginnen. Daarom koos hij voor een militaire dienst: hij was legerarts van 1870 tot hij in 1890 op pensioen werd gesteld.
 

Literator 

In zijn poëtisch werk (Langs ruwe paden uit 1881 en In de natuur uit 1884) getuigt hij van stemmingen en ervaringen van de mens die op adem komt in de natuur. Hierin, maar ook in zijn liefdesgedichten, toont hij zich een Vlaamse romantieker bij uitstek, alhoewel hij nauwelijks oog had voor de nationale gevoeligheid of de verheerlijking van het verleden, die zo kenmerkend waren voor de romantiek in het algemeen. Door zijn modernistische tijdgenoten beoordeeld als te bombastisch en te gekunsteld, vallen deze gedichten vandaag nog altijd op door het rijke taalgebruik en het genuanceerd gevoel. Ze gaan over levensvragen van alle tijden.
In de natuur bundelt, naast gedichten, ook wetenschappelijke teksten en filosofisch-visionair proza. De individualist die Wazenaar was, hechtte weinig belang aan de grens tussen poëzie en essay. 

Zijn autobiografische roman Een Vlaamsche jongen (1879, gevoelig uitgebreid in de editie van 1881) gaat over zijn armoedige jeugd op het platteland, het onrechtvaardige loting-systeem, zijn Antwerpse jaren, de problemen die hij had om te kunnen studeren, de cholera-epidemie, zijn ervaringen in het leger en de schoolstrijd. Vooral door zijn maatschappijkritische toon verwees deze – thans zo goed als vergeten – roman duidelijk naar Multatuli, de door hem bewonderde Nederlandse auteur van o.m. Max Havelaar.
Dit boek werd op zeer gemengde gevoelens onthaald door de critici. Het werd geprezen door vrijzinnigen (o.m. Lode Baekelmans en Max Rooses) maar verketterd door katholieken.
Ook vandaag nog heeft deze roman onbetwistbaar een literairhistorische waarde (vooral in verband met derde kwart van de 19de eeuw) maar zeker is het ook een sociaal document. Hij behoort alleszins tot het beste wat de  19de-eeuwse vrijzinnige literatuur voortgebracht. 

Polemist 

Vanaf 1884 liet hij proza en poëzie voor wat zij waren. De armoede die hij had gekend, de aan den lijve ondervonden onrechtvaardige behandeling in het leger (waar hij als Vlaming werd geminoriseerd door de francofone officieren), zijn sociale betrokkenheid, zijn antikatholieke ingesteldheid én zijn afkeer van onverdraagzaamheid, dat alles maakte van hem de scherpe polemist.
Zijn bekendste polemische werk is Een officier geworgd in het Belgisch leger : uit het gedenkboek van eenen bataljonsgeneesheer (1892), waarin hij de administratie van het leger ongenadig hekelde.
Dat hij als geducht criticus ook vrienden, collega’s-dichters (o.m. Pol de Mont, Omer Wattez en Jan van Beers) over de hekel haalde werd hem niet in dank afgenomen.
Naar het einde van zijn leven toe werd Wazenaar minder als dichter en romanschrijver dan als Gentse Multatuliaanse polemist bekend. 

Wazenaar en Gent 

Wazenaar had een sterke band met Gent. Tijdens zijn Gentse universiteitsjaren vond hij een onderkomen bij een oude dame, een weduwe die aan de Dampoort woonde en die hij tot jaren na zijn studies zou blijven verzorgen.
Na zijn huwelijk, begin 1877 –  hij was dan al legerarts – verhuisde hij van Brugge naar de Gentse Frère Orbanlaan. Vier maanden later trok hij naar de Coupure, waar hij zou wonen tot aan zijn dood.
In 1857 was hij lid geworden van het Willemsfonds dat hem lectuur verschafte waarvan hij op het college het bestaan niet eens vermoedde. Later werd hij lid van de toen nog grotendeels door katholieken “bemande” Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (wat hem bij zijn vrijzinnige vrienden heel wat kritiek opleverde), van ‘t Zal Wel Gaan (bestuurslid tot 1888), de Snellaertkring en de Zetternamkring. Uit zijn bewaarde brieven blijkt dat hij contacten onderhield met o.m. de Gentenaars Ferdinand August Snellaert, Willemn Rogghé, Julius Vuylsteke, Adolf Hoste en Adolf Siffer. 
Vanaf 1862 (en twintig jaren lang) publiceerde hij geregeld gedichten in het Gentse Nederduytsch letterkundig jaarboekje dat werd geleid door Frans Rens. 

Karel van de Woestijne schilderde hem als zestigjarige (na zijn op-pensioen-stelling in 1890) als volgt af:  “…  in een koffiehuis dichtbij  het station te Gent:  Een geel, vermoeid, schuw-ziend, nijdig-ziekelijk aangezicht; een gebogen gestalte; een magere witte hand… – in den grond een diep-goed, zeer-edel mensch…, een fijngevoelige, een lichtgeraakte, bij wien de minste schram een blijvende, kankerende wonde werd”.  

Hij werd begraven op het gemeentekerkhof, de huidige Westerbegraafplaats. In Ledeberg werd een straat naar hem genoemd.  

[Nicole Verschoore]

Over Wazenaar: