terug naar index
Wijnakker, Raoul

(Gent, 29.05.1932 - Gent, 06.05.2013)

Gents liberaal politicus en schrijver van proza en poëzie.
Hij groeide op in de wijk van het Heilig Kerst (Tolhuislaan), toen de schippersbuurt van Gent. Hij studeerde economie aan de Gentse universiteit. Na zijn studies bouwde hij een carrière op in het bedrijfsleven. Zo nam hij de leiding van de Scheepswerven van Langerbrugge, een bedrijf dat zijn grootvader opgericht had. Na zijn huwelijk, in 1954, vestigde hij zich in de Pijkestraat in Oostakker, waar hij nog steeds woont. In 1964 werd hij gemeenteraadslid en schepen in Oostakker, na de fusie van gemeenten, in 1976, was hij raadslid en schepen in Gent. 

De jonge Wijnakker werkte mee aan De Gentenaar, dagblad waarin hij zijn eerste gedichten publiceerde onder het pseudoniem Alfons de Harduwijn. Die naam gebruikte hij ook voor zijn eerste twee romans.
Zijn schrijversdebuut, De Paaseilanders (1960) is een verhaal met surrealistische elementen, over een Antwerps kunsthistoricus die fout was in de Tweede Wereldoorlog, nadien aan de kost kwam met het uitschrijven van echte en valse attesten voor kunstwerken, én om den brode de zoon van een gepensioneerde generaal onder zijn hoede neemt.  

In Het binnenschip (1965), verlucht met tekeningen van Jan Hoet, vertelt de ik-figuur, schipper op een kleine spits (motorschip), hoe hij bij een scheepswerf een grotere kempenaar (riviervaartuig) bestelt en het goede moment afwacht om dit aan zijn vrouw te vertellen. Deze realistische roman met autobiografische inslag schetst meteen een beeld van het leven in de Gentse schipperskringen.  

In zijn derde boek, De castraattenor en ik (1986), voegde Wijnakker de twee vorige werken samen door afwisselend een hoofdstuk uit de eerste en een hoofdstuk uit de tweede roman op te nemen. De Antwerpse kunsthistoricus is nu bevorderd tot castraattenor, het verhaal speelt zich niet meer af in Antwerpen maar in Gent en bovendien heeft de auteur de twee hoofdfiguren aan elkaar gekleefd met een wonderbaarlijke lijm (“spermaceen”).   

Bij zijn zestigste verjaardag bracht hij De folterkamerzanger (1992) uit, een burleske novelle waarin de hoofdfiguur “Hij” achtereenvolgens eerste minister, bestuurder van de Gentse Volksopera en burgemeester van Gent wordt. Als toemaatje bevat dit boek zestien gedichten. Eén daarvan, Verraad, gaat over een paar politieke vrienden; Octave Landuyt illustreerde de kaft. 

In 1995 volgde Wijnakkers eerste dichtbundel, Voorlopig testament, die hij zelf omschreef als “een volledige striptease van iemand in de herfst van zijn leven”. Het zijn beschouwingen over het leven, reisnotities en taalspelletjes. In één van de gedichten, Mendonk, stelt de auteur zich vragen over de industrialisering van de kanaalzone (waaraan hij als havenschepen zelf meewerkte). 

Bij zijn zeventigste verjaardag verscheen De onbehuisde (2002), “een fantasmagorisch onderzoeksverslag”, een bundel zogezegde geschriften van een overleden vriend die de aanzet tot een autobiografie zouden moeten vormen. In  een dertigtal fragmenten wordt telkens een fantastisch of absurd verhaal verteld. Hoofdpersoon en uitgever etaleren graag hun encyclopedische kennis, al is de grens tussen werkelijkheid en fictie zelden duidelijk. Als toemaatje volgt weer een reeks gedichten. De poëet begint met Paul Snoeck gelijk te geven: “Wie gedichten schrijft, is stapelgek”. Maar hij voegt er meteen aan toe: “maar ik kan het dichten niet laten”. 

[Daniël Vanacker]

Over R. Wijnakker: